Review

'SPIEGEL VAN DE MODERNE NEDERLANDSE POEZIE'/De schaduw van Gezelle en de schaduw van Hans Warren

Hans Warren (samenst.), 'Spiegel van de moderne Nederlandse poezie', uitg. Meulenhoff/Kritak, 573 blz. - f 79,(geb.) of f 49,50.

Wie het gedicht voor het eerst leest, wordt net zo verrast door beeld- en kleurrijk impressionisme als wie voor het eerst schilderijen ziet van De Monts tijdgenoot Jac. van Looy. Ik las De Monts 'Ballerinen', net als gedichten van Van Looy in de nieuwe bloemlezing van Hans Warren, 'Spiegel van de moderne Nederlandse poezie'. Nieuw is overigens vooral de titel, want het is een herziene versie van de 'Spiegel van de Nederlandse poezie - Dichters van de twintigste eeuw', die in 1987 voor het laatst was verschenen. Met Van Looy en De Mont is een hele zwerm dichters - al of niet in een lichte wolk van tule - de bloemlezing komen binnenvaren. Tot 1987 had Warren zich - trouw aan de door zijn voorganger Victor E. van Vriesland aangebrachte tweedeling in de hele Nederlandse poezie - beperkt tot dichters die na 1910 waren gedebuteerd: echte twintigste-eeuwers dus. Maar omdat hij, een enkele uitzondering daargelaten, de debuutgrens heeft verlegd naar 1880, heet alles nu modern. Tot die enkelingen behoren Guido Gezelle en Van Looy, maar niet bij voorbeeld hun tijdgenoot W.L. Penning, de meest frisse van de laat-negentiende-eeuwse anekdotische dichters, geprezen door Kloos en Verwey onder andere.

Dat is jammer, al begrijp ik wel dat het moeilijker is de enigszins ouderwetse Penning over een eenmaal vastgestelde tijdgrens te trekken dan de ongelooflijk moderne Gezelle. Ik zeg dit laatste zonder ironie, want waar je Gezelles werk ook tegenkomt, telkens weer treft je de levendigheid en de intensiteit ervan; het ruist, bruist en spat. In alle opzichten voert Gezelle Warrens balletgezelschap aan: hij opent de bloemlezing, hij staat er met het maximum van tien gedichten in, en hij heeft meer paginaruimte gekregen dan elk van de 364 opgenomen dichters.

In Warrens choreografie staan verder, op eerbiedige afstand, Gerrit Kouwenaar als tweede opgesteld, Hugo Claus en Gerrit Achterberg als derde en vierde; en op nog grotere afstand respectievelijk M. Nijhoff, Paul van Ostaijen, J.H. Leopold en ex aequo Ida Gerhardt, J. Slauerhoff en Karel van de Woestijne. Een stevig accent op de vooroorlogse dichters dus. Wanneer, net als met schaken, tennis en andere sporten, alleen de levenden voor een plaats op de ranglijst in aanmerking zouden komen, dan werd de top-10, die met Kouwenaar, Claus en Gerhardt begint, volgemaakt door Gerrit Komrij (nog steeds met tien gedichten de belangrijkste dichter van na de Vijftigers volgens Warren), Leo Vroman, Judith Herzberg H.H. ter Balkt (fors geklommen: van drie naar zes gedichten), Remco Campert, Rutger Kopland en Ellen Warmond.

Vraag tien anderen om hun voorkeur, en je krijgt tien andere lijstjes, dat wel. Maar op vrijwel ieders lijstje zal toch eerder Lucebert staan dan kalenderspreukdichteres Warmond; niet alleen bij degenen die met een half oog naar de literatuurgeschiedenis kijken. Maar Warren heeft al jaren niet zoveel met Lucebert op. Hij vindt hem minder belangrijk dan bij voorbeeld Paul Rodenko, Jan Hanlo, Willem Elsschot of zijn geliefde Augusta Peaux. Die laatste mag dan van de generatie Van Looy-De Mont zijn, vanwege haar late debuut stond zij altijd al tussen de twintigste-eeuwers. En zij wordt kennelijk nog steeds beter, want Warren heeft aan het vijftal dat hij al van haar had, nog een pas opgedoken gedicht toegevoegd. Weliswaar staat er ook van Lucebert een nieuw gedicht in, maar daarvoor heeft eerst een ouder gedicht moeten wijken. Het is kenmerkend voor de tamelijk behoudende smaak van Warren.

Toch heeft hij in enkele gevallen de kritiek op zijn eerdere waardering wel degelijk serieus genomen. Want de honderd nieuwe dichters zijn niet alleen van voor 1910 of van na 1987, zoals Gezelle en Gorter of Ghyssaert en Gellings, maar ook uit de tussenliggende periode. Eindelijk vindt Warren de gedichten van Eva Gerlach, Leonard Nolens, Sybren Polet, Annie M.G. Schmidt en Anton Ent de moeite waard. Dat werd tijd.

Om ruimte te bieden aan honderd nieuwelingen, heeft Warren het een en ander verbouwd en uitgebreid: in het voormalige register op beginregels heeft hij de jongste generatie ondergebracht, de 'Spiegel' is verder zo'n vijftig bladzijden dikker geworden, en tenslotte hebben 26 dichters het loodje gelegd, van wie Jacob Groot, Mies Bouhuys, Jan Wit, Garmt Stuiveling, Nel Noordzij, Gwij Mandelinck en Wim Hazeu de meest opmerkelijke zijn. Die waren wel twintigste-eeuws maar niet meer modern. Het zou me niet verbazen als bij een volgende druk met name de neo-romantici Groot en Mandelinck werden gerehabiliteerd.

Zijn laatste ingreep, bezuiniging per dichter, heeft Warren zeer fors toegepast bij Paul Rodenko (die ineens maar vier gedichten heeft in plaats van het al te royale maximum van tien). Maar ook A. Roland Holst, H. Marsman, Hans Lodeizen, Jan van Nijlen en J.C. Bloem zijn op die manier uit de top wegbezuinigd (van tien naar acht; Van Nijlen en Bloem zelfs naar zeven). En dichters als J. Eijkelboom en Ed Leeflang, die Warren al snel royaal bedeelde, zijn even snel weer minder waard dan vijf jaar geleden: ze zijn allebei teruggebracht van vijf naar drie.

Bloemlezen is kiezen, dat is duidelijk, allereerst kiezen op grond van belezenheid en smaak. Maar bij een bloemlezing als de 'Spiegel' is het ook kiezen op grond van in brede kring erkende kwaliteitsverhoudingen. En dat verdraagt weer geen al te persoonlijke smaak. Een dergelijke bloemlezing recenseren is dan ook zoiets als prijsschieten zonder nieten. Omgekeerd ontlenen bloemlezingen hun gezag ook aan de hoeveelheid en de kracht van het geschut dat erop gericht wordt.

Wat dat betreft zit het met de 'Spiegel' wel goed. Want waar zijn dichters als Anneke Brassinga, Armando, Hans Berghuis, Geert van Istendael, Maria van Daalen, Arjen Duinker of Peter Nijmeijer? Ik beperk me maar even tot de dichters die Hugo Brems twee jaar geleden wel opnam, en terecht, in de 24e druk van die andere eerbiedwaardige bloemlezing, 'Dichters van deze tijd'. Vooral het geval-Armando is eigenaardig: ook Komrij wist destijds met diens werk geen raad; dat leent zich kennelijk beter voor bespreking in literatuurgeschiedenissen dan voor opname in poeziebloemlezingen.

Waar zijn verder die eigenaardige prozagedichten van Gerrit Bakker? Waar het prachtige loom-lakonieke werk van Martin Reints? de gedichten van Marc Reugebrink? Stuk voor stuk veel interessanter dan wel opgenomen nieuwelingen als Rene Huigen of Arthur Lava. Maar ten aanzien van debutanten lijkt Warren meer te zien in 'woest en ledig' dan in 'scherp en precies', meer in de waan van de dag dan in originele dichters. Hoe dichter bij het heden, hoe meer het een warboel wordt.

Er is, zoals altijd, reden tot ontevredenheid: zo had ik als lang gedicht liever Nijhoffs 'Awater' of desnoods Van Bastelaeres 'Pornschlegel' gezien, dan het curieuze 'Expositie F. Agerkop: Commewijne sterft' van de Surinaamse dichter Shrinivasi; daarvan is de charme vooral dat je het nooit tegenkomt.

Maar hoewel de smaak van Hans Warren er dus soms een schaduw over werpt, zou ik op dit moment geen andere bloemlezing weten die een betrouwbaarder en even breed beeld geeft van de kwaliteiten van een eeuw Nederlandstalige poezie. En over Pol de Monts 'Ballerinen' zijn we het zeker eens.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden