Review

Sociaal-liberale vaders uit de oertijd

Ruim honderd jaar geleden rommelde en gistte het in de machtige liberale partij van Nederland. Voorstanders van staatsonthouding en pleitbezorgers van staatsingrijpen ter wille van de verpauperde arbeiders botsten krachtig. Over de sociale politiek én over de uitbreiding van het kiesrecht (zie volgende pagina). Twee historische studies werpen een nieuw licht op de invloed van sociale liberalen op de wetgeving die later zou uitmonden in de verzorgingsstaat.

Met de opkomst van een sociaal-liberale stroming in de VVD, aangevoerd door jonge Turken als Mark Rutte en Melanie Schultz, en gepareerd door conservatieve liberalen, is er niet zoveel nieuws onder de zon. Protestanten hebben in Nederland niet het patent op onderlinge strijd, ook de liberalen kunnen en konden er wat van. Iets meer dan honderd jaar geleden viel de liberale familie, die in de tweede helft van de 19de eeuw zo dominant was geweest, zelfs in drie stukken uiteen.

Katalysator was het conflict over de uitbreiding van het kiesrecht, maar daarachter gingen diepgaande meningsconflicten schuil over 'de sociale kwestie'. Die dreef conservatieve, sociaal-liberale en radicale liberalen uiteen. De huidige VVD-leider, Jozias van Aartsen, verwijst graag naar de liberale traditie van hervormingsgezindheid, maar de keerzijde van die traditie is kennelijk dat ze kan leiden tot verdeeldheid en zelfs tot afsplitsing.

Aan het eind van de 19de eeuw lieten de sociaal-liberalen, onder aanvoering van Sam van Houten en Hendrik Goeman Borgesius, blijken de tijdgeest goed te verstaan - anders dan hun behoudende vrienden. Zij begrepen dat de verpaupering, gevolg van industrialisatie en verstedelijking, dwong tot een sociale politiek en legden met omvangrijke wetgeving de basis voor wat we later de verzorgingsstaat zijn gaan noemen.

Het politieke debat van nu vertoont frappante gelijkenis met het discours in die jaren. Kernvraag was en is: waar begint en eindigt de bemoeienis van de overheid met de samenleving en welke rol moeten burgers daarin spelen? Misschien is het niet louter toeval dat sociaal-liberalen nu weer in opkomst zijn, al is dat een verschijnsel dat we in de naoorlogse VVD vaker hebben gezien.

De oerdagen van de verzorgingsstaat staan dezer dagen sterk in de belangstelling. Over Hendrik Goeman Borgesius, bijvoorbeeld, schreef de historicus Bert Wartena een biografie, waarin hij probeert deze Groningse sociaal-liberaal de plaats in het nationale geheugen te geven die hij op grond van zijn politieke prestaties verdient.

Wartena geeft aan die poging zelfs een uitdagend karakter door 'Bor', zoals de politicus in de wandeling werd genoemd, tot 'vader van de verzorgingsstaat' uit te roepen. Wij zijn geneigd die titel min of meer vanzelfsprekend toe te bedelen aan de sociaal-democraat Willem Drees, maar je kunt uiteraard verder terugkijken.

Dat Borgesius nu deze eer te beurt valt, zal ook de hedendaagse liberalen prikkelen; zij worden niet graag met de verzorgingsstaat geassocieerd. Sinds de jaren zeventig gaan zij zelfs voor in het terugdringen van de overheid, 'vader Albedil'.

Wartena wijt de bescheiden status van Goeman Borgesius in onze politieke geschiedenis aan het ontbreken van een persoonlijk archief. Die handicap is ook Wartena zelf opgebroken bij de reconstructie van het leven van de man, die in 1847 als zoon van een huisarts in het Groningse Schildwolde ter wereld kwam.

In het boek blijft dat leven vrijwel beperkt tot de formele buitenkant; dat wat hij schreef in (spaarzaam nagelaten) brieven en krantenartikelen en wat hij zei in de Tweede Kamer en op politieke bijeenkomsten. ,,Och, we zijn niet zo bewaarderig'', verklaarde een kleinzoon aan de biograaf.

Het gevolg is dat Hendrik in het boek geen figuur van vlees en bloed wordt. De spannendste onthulling is nog dat de ambitieuze jongeman in zijn studietijd zijn tweede voornaam, Goeman, aan zijn achternaam toevoegde. Volgens de schrijver wilde hij zich onderscheiden van al die Borgesiussen, die men in het Groningse land tegenkwam. ,,Wellicht voorvoelde hij een rol van bijzondere aard in zijn leven en wilde hij ook een bijzondere naam''.

Doordat de biograaf overvloedig citeert uit de formele stukken, zelfs uit de met stijve pen geschreven wetsgeschiedenis, wordt de lezer tot in de verste uithoeken van Hendriks visie op mens en wereld meegevoerd. Het is jammer dat informatie over de mens Borgesius ontbreekt, want hij was een veelzijdig man (leraar, oorlogscorrespondent, hoofdredacteur, columnist, kamerlid, drankbestrijder, directeur van twee verzekeringsmaatschappijen, minister, kamervoorzitter) en hij leefde in roerige tijden. Hij was bovendien niet alleen een man van het woord, maar ook van de daad, zij het beslist geen revolutionair.

In de jaren zeventig van de 19de-eeuw schaarde hij zich als hoofdredacteur van Het Vaderland achter stakende Haagse sigarenmakers en riep hij zijn lezers op geld af te staan aan deze stakers. Hoewel staken toen nog een ongewoon middel was en onder de burgerij werd beschouwd als een voorbode van de revolutie, had de oproep enig succes. Maar de sigarenmakers verloren de staking wel en er vielen ontslagen. Daarop richtte Borgesius samen met mede-liberaal Sam van Houten een coöperatief sigarenfabriekje op, dat echter al na enkele maanden bezweek.

Borgesius was een warm voorstander van coöperaties. In deze 'eigen hulp door vereniging' zag hij een middel om de hardste kanten van het kapitalisme af te vijlen en de burgers tot zelfredzaamheid te brengen, waar nodig met behulp van de overheid.

Al jong zette hij zich af tegen het klassieke liberalisme, dat wars was van elk staatsingrijpen in het vrije spel van vraag en aanbod. Hij vond dat de overheid moest optreden waar het particulier initiatief tekortschoot en niet in 'laissez faire' mocht blijven steken.

Daarom is het niet zo verwonderlijk dat hij als kamerlid het initiatief nam tot een parlementaire enquête naar de arbeidsomstandigheden in werkplaatsen en fabrieken (in 1887), en later als minister de leerplichtwet, de woningwet en de gezondheidswet tot stand bracht (in 1901). Die parlementaire enquête bracht de burgers in het land met een schok bij hoe afschuwelijk de werkomstandigheden in veel fabrieken waren.

Achteraf gezien is het verleidelijk de opbouw van de verzorgingsstaat als een gestaag en zelfs logisch proces te zien, dat in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw als het ware werd vervolmaakt. Een proces waarin kleinere of grotere helden een rol speelden en één persoon zelfs vader van het gehele project zou zijn geweest. Toch is ook een andere kijk op de geschiedenis mogelijk, minder tot de verbeelding sprekend en prozaïscher, wel realistischer misschien. Zo'n poging onderneemt de historicus Dirk Wolffram in zijn boek 'Vrij van wat neerdrukt en beklemt', dat ongeveer dezelfde periode in de Nederlandse politiek bestrijkt als dat van Wartena.

Ook deze historicus pleit voor herwaardering van Goeman Borgesius, die in zijn ogen te lang in de schaduw heeft gestaan van een andere grote politieke vernieuwer, Abraham Kuyper. Volgens Wolffram was Borgesius misschien minder een vernieuwer, maar hij stond wél onafgebroken in het centrum van de politiek. Daar bouwde hij met zijn praktische geest gestaag en onverstoorbaar aan zijn levenswerk: een liberale natie met een sociaal gezicht, gebaseerd op gemeenschapszin.

Anders dan de biograaf van Borgesius is Wolffram zuinigjes over de praktische betekenis van de sociale politiek tussen 1870 en 1918 en sceptisch over de manier waarop die politiek gestalte heeft gekregen. Hoewel Borgesius en andere sociale liberalen het ongewone genoegen smaakten hun politieke denkbeelden nog tijdens hun leven om te kunnen zetten in wetgeving, was Nederland met zijn sociale politiek erg traag en zuinig. In Duitsland, waar de almachtige Bismarck met ingrijpende sociale wetgeving het spook van de socialistische revolutie poogde te verdrijven, bleek veel meer mogelijk.

Wolffram schrijft de Nederlandse inertie vooral toe aan de liberale huiver voor staatsinterventie in het economische leven, maar hij zoekt ook een oorzaak in de 'tamelijk aardse en zeer Nederlandse manier van besturen, te weten: doormodderen'.

Deze manier van besturen is volgens de theorie een gevolg van gebrek aan concrete kennis, waardoor bestuurders maar liever dicht bij het bestaande beleid bleven en slechts kleine stappen durfden te zetten. Maar volgens Wolffram was het niet voor niets dat de hygiënisten in de tweede helft van de 19de eeuw zo'n onevenredig grote invloed hadden: zij waren de enigen die op basis van sterfte-atlassen en in het bijzonder cijfers over kindersterfte inzicht hadden in de gevolgen van de verpaupering in de fabriekssteden. De vele parlementaire enquêtes in die periode laten zien dat de behoefte aan informatie onder politici, zeker de hervormingsgezinden, groot was. Gebrek aan kennis kan dus maar een beperkte rol hebben gespeeld.

Wolffram laat zelf zien dat juist de politiek de doorslag gaf bij de sociale ordening van ons land en bij het beleid van kleine stappen. Wie in de Nederlandse politiek te grote stappen neemt, wordt meestal hard gestraft, zoals de liberalen bij de verkiezingen in 1901 ondervonden. Doormodderen is, met andere woorden, ook een kwestie van politiek lijfsbehoud.

Maar het tij keerde na deze verkiezingen wel; eindelijk kregen de christelijke partijen een stevige vinger in de pap. Niet alleen de liberalen waren bang voor een te grote invloed van de staat, ook de christelijke partijen waren dat. Onze sociale ordening heeft dan ook nu nog een sterk corporatief karakter, ze moet niet van de staat komen maar van maatschappelijke organisaties. Nederland is met andere woorden nooit echt een verzorgingsstaat geworden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden