Review

’Smeerlapperij’ en establishment

Edouard Manet werd wereldberoemd, zijn tijdgenoot Ernest Meissonier is een totaal vergeten schilder. In een prachtig boek over de opkomst van de impressionisten zet Ross King de twee kunstenaars naast elkaar, en laat zo zien hoe rebellen als Manet terrein wonnen, en de ’arrivés’ naar de marge duwden.

’De hele maand juli was het kwik nauwelijks onder de dertig graden Celsius gedaald,en op 21 juli werd de recordhitte van 38 graden geregistreerd. Het land leed onder sterfgevallen als gevolg van zonnesteek,onder heidebranden, opgedroogde bronnen. De heren deden er goed aan koolbladeren in hun hoge hoed te dragen.”

Het is Londen,1874 en de Franse impressionist Edouard Manet bezoekt hier zijn vriend de graficus Legros, een van de 20.000 Fransen die toen rond Leicester Square woonden. Het is het jaar waarin de impressionisten definitief voet aan de grond kregen na hun moeizame strijd tegen de gevestigde orde .

De geboorte van het impressionisme is het onderwerp van ’De omwenteling van Parijs’, een magistrale historie die alle facetten van het Parijse kunstenaarsleven in de tweede helft van de 19de eeuw belicht. De vijfhonderd bladzijden lees je in één ruk uit, en daarna wil je het liefst nog meer.

De hoofdrolspelers zijn de schilders Ernest Meissonier, vertegenwoordiger van het kunstestablishment, en Edouard Manet, de verguisde vernieuwer. Hun deelname aan de opeenvolgende Salons, de jaarlijkse grote kunstexpositie van Parijs, is de graadmeter van hun succes.

Meissonier was rond 1870 de beroemdste schilder van Frankrijk. Hij schilderde musketiers in historisch kostuum, de veldslagen van Napoleon en zulks meer: respectabele thema’s in realistische stijl. Deze zedelijk aanvaardbare historieschilderkunst had de goedkeuring van de invloedrijke Académie des Beaux Arts, een staatsinstituut geleid door conservatieve aristocraten.

Meissoniers werk was geliefd en liet zich goed betalen. Hij kon zich een luxeleven permitteren in La Grande Maison even buiten Parijs, waar hij de dag begon met een stevige rit te paard in gezelschap van zijn zoon, of van zijn buurvrouw - die tevens zijn maîtresse was. Daarna vertrok hij naar zijn atelier dat vol stond met decorstukken voor zijn historische taferelen.

Om zo natuurgetrouw mogelijk te schilderen ging hij tot het uiterste. Aan zijn schilderij ’Friedland’ van een Napoleontische veldslag werkte hij vier jaar. Zijn paarden moesten poseren tot ze erbij neervielen en voor de studie van een galopperend paard liet hij een spoorstaaf in zijn tuin aanleggen. Hierover reed hij met een karretje aangeduwd door mannen om de bewegingen van het paard in snelle schetsen vast te kunnen leggen. Nogal omslachtig, maar de fotografie kwam hem nog niet te hulp.

Typerend voor de aanpak van Ross King is dat alles wat licht kan werpen op zijn onderwerp aan bod komt. Zo gaat hij in op de ontwikkeling van de fotografie rond Muybridge, die als eerste de beweging van mens en dier vastlegde. En hij belicht de invloed van de trein op de schilderkunst. Die veranderde niet alleen de waarneming (het vervaagde, bewegende beeld), het reizen per spoor maakte ook dat er meer in de buitenlucht geschilderd werd.

Edourd Manet was de tegenpool van Meissonier; hij schilderde mensen uit zijn eigen omgeving en tijd. Dat was iets heel nieuws. Al baseerde hij zijn doeken soms op klassieke schilderijen, zijn nieuwe realisme én zijn losse schildertoets, werden als shockerend ervaren.

Een van zijn meest omstreden schilderijen, ’Le Dejeuner sur l’Herbe’ uit 1873, was gebaseerd op ’Het Oordeel van Paris’ van Titiaan. Maar in Manets versie zijn twee blote dames te zien naast twee geklede heren. Dat vond men aanstootgevend. Het publiek reageerde nog verontwaardigder op zijn ’Olympia’, waarop een liggende prostituee te zien is. Dit doek is gebaseerd op Titiaans ’Venus van Urbino’, door Mark Twain ooit beschreven als het smerigste, meest verdorven en obscene schilderij van de wereld. Maar Manet liet zich ook inspireren door de naaktfoto’s van Nadar, die ook veel tijdgenoten fotografeerde en zich verder, zo bericht King, bezighield met de ballonvaart. In 1863 richtte hij daartoe een club op met de onweerstaanbare naam: ’Société Générale d’Aérostation et d’Autolocomotion Aérienne’.

Ross King weet de periode waarin de Olympia totstandkwam subliem tot leven te wekken door allerlei historische details op te dissen, bijvoorbeeld over het leven van naaktmodellen zoals Victorine Meurent, die voor Olympia model stond, en over de positie van de Franse prostituees, die in die tijd zo’n dertien procent uitmaakten van de Parijse bevolking.

In de opkomst van het impressionisme spelen de Salons een grote rol. De juryleden werden gerekruteerd door de conservatieve Academie,en zij bepaalden wie er mocht exposeren. Voor de Salon van 1863 werd meer dan de helft van de vijfduizend ingezonden werken geweigerd. Meissonier werd natuurlijk wel toegelaten, maar Manet niet. De woede die dat bij de afgewezen kunstenaars opriep, deed Napoleon de Derde besluiten tot een speciale Salon voor de geweigerden. Met deze Salon des Refusés begon in 1874 de opmars van het impressionisme, de meest vernieuwende schilderkunstige stroming sinds de Renaissance.

Manet toonde er zijn Déjeuner, dat bespot en uitgelachen werd door het grote publiek, dat overigens wel massaal toestroomde. Manet werd zelfs op straat aangevallen. Ook andere vernieuwers zoals Whistler en Fantin-Latour exposeerden bij de ’Geweigerden’. Een criticus karakteriseerde hun losse stijl als die van de schetsers versus de afwerkers (Meissonier).

De Salon des Refusés verloor overigens al snel zijn functie, want in de volgende officiële Salon bedroeg het percentage geweigerden nog maar een derde. Toch werden de impressionisten vaker niet dan wel geaccepteerd. Paul Cézanne bijvoorbeeld, werd er nog steeds niet toegelaten. En Manet kreeg er pas voet aan de grond door zelf exposities te organiseren én door de publicaties van zijn vriend Emile Zola. Andere vrienden, zoals de dichter Baudelaire, steunden hem ook.

Uiteindelijk kocht de kunsthandelaar Durand-Ruel bijna alle werken van Manet. In 1876 toonde hij in zijn galerie ook het werk van de andere impressionisten. Die naam was overigens door een criticus bedacht, die doelde op de vluchtige indrukken die de schilders kennelijk wilden vastleggen. Zelf noemden zij zich Realisten. De kunstenaarsclub, waarin grote namen als Pisarro, Monet, Degas, Renoir, Cezanne en Morisot zich verenigden, heette dan ook De Realistensalon.

Vreemd genoeg deed Manet hieraan niet mee omdat hij net begon door te breken in de officiële Salon. Hij begon trekjes te vertonen van een gevestigde kunstenaar: hij gaf bijvoorbeeld veel geld uit aan een statusverhogend interieur. In datzelfde jaar begon de echte arrivé Meissonier juist landschappen te schilderen in Antibes en verhuisde naar de arbeiderswijk van de Bohemiens. De rollen begonnen zich om te draaien. En toen Durand-Ruel de impressionisten in 1886 in New York exposeerde, was het succes definitief.

Wat daaraan voorafging, is door Ross King schitterend uiteengezet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden