Review

Skateboard als kunst

Een boek in lichtgevend oranje en een cliché als titel. 'Kunst in crisis' staat er, en wantrouwend vraag je je af wie dat nu weer roept. Deze schreeuw om aandacht komt van Rutger Wolfson, de samensteller van deze bundel essays van directeuren en critici uit de kunstwereld. Zij proberen antwoord te geven op de vraag hoe de kunst van nu er voor staat.

Louise de Haan

De toon wordt meteen gezet door Wolfson. Hij is de jonge directeur van de Vleeshal in Middelburg, een plaats waar hij kunst in nieuwe gedaantes toont. Het kunnen skateboards zijn, videoclips of andere producten van de massacultuur. Wolfson trok al aandacht bij zijn aantreden, toen hij de hedendaagse kunst week en zielig noemde. Ze zou in het niet vallen bij de impact van de reclame.

De 'crisis' is volgens hem ontstaan doordat de huidige kunst gebruik- maakt van dezelfde vormen als de populaire massacultuur, die op haar beurt weer trucs van de kunst pikt. Design en mode willen nu ook voor kunst doorgaan. Door deze kruisbestuiving vervagen de grenzen tussen de traditionele kunstvormen en de massamedia, en tussen lage en hoge cultuur.

Wolfson vraagt zich af of door deze grensvervaging de kunst ten onder gaat of een nieuwe impuls krijgt. En is zij te midden van de beeldenstroom die zich dagelijks over ons uitstort nog wel relevant? Dat is voor Wolfson in ieder geval geen probleem, want traditionele kunst vindt hij gewoon niet interessant meer.

Je kunt je met Wolfson afvragen of deze grensvervaging echt tot de ondergang van de kunst zal leiden. Misschien kan de leek door de bomen het bos niet meer zien, maar voor de insiders blijven de grenzen tussen kunst en niet-kunst meestal zichtbaar, ook al is de vorm misleidend. Dit is evident in het geval van Joep van Lieshout. Hij ontwerpt meubilair dat geen design is maar wel kunst, mede omdat het alleen te koop is in galeries en niet in meubelzaken. De context van de kunstwereld bepaalt wat kunst is in welke gedaante dan ook. En dat reduceert de 'crisis' tot weinig meer dan de zoveelste metamorfose die al begon met de pisbak van Duchamp in 1917.

De criticus Cornel Bierens denkt daar anders over. Hij vindt dat het begrip betekenisloos is geworden omdat alles zo wordt genoemd. Bijvoorbeeld het leven van kunstenares Tracey Emin. Onlangs was haar woest beslapen bed nog in het Stedelijk Museum te zien. Bierens merkt hierover op: ,,De kunst ís het leven niet en zal het nooit worden''. Hij heeft kritiek op de kwaliteit van veel hedendaagse kunstuitingen, met gemakzucht als belangrijk euvel. Dit kan bestreden worden met meer vakmanschap. Als een van de weinigen bekommert Bierens zich om kwaliteit en legt de meetlat daar waar hij hoort door zich af te vragen wanneer iets goed of slecht is.

Bierens is de beste schrijver in dit gezelschap. Niet alle essays zijn de moeite waard. Wel het betoog van Fondsdirecteur Lex ter Braak, dat opvalt door nuance. Hij vindt dat het goed gaat met het Nederlandse kunstklimaat, getuige de vele exposities, opleidingen en aandacht in de pers. Maar doordat veel nieuwe kunst het gebied van de autonomie aan het verlaten is, vraagt zij om een andere benadering. Daarnaast moet ze zich staande houden in de beeldenstroom uit de massamedia, die haar invloed bedreigt.

Ter Braak oppert een strategie om deze dreiging te keren: Kunst zou zich niet moeten meten met de massamedia. Want hoewel ze verwarrende gedaantes aanneemt, blijft zij toch zichtbaar door haar eigen moraal en kritische reflectie. Ter Braak zet in tegenstelling tot Wolfson de traditie niet meteen bij het grofvuil, maar ziet een geleidelijk proces van verandering. Hij gelooft in het rustig heroverwegen van de positie van kunst.

Helaas is deze houding zeldzaam, want de fascinatie voor de nieuwe mediavormen leidt vaak tot een abrupte afwijzing van de traditionele moderne kunst. In plaats daarvan doet de nieuwe kunst aan samenwerking en is zij interdisciplinair. Maar liefst drie essays zijn hieraan gewijd.

Maatschappelijke integratie is een ander actueel toverwoord. Ole Bouman, hoofdredacteur van Archis, vindt dat de kunstenaar geen objecten meer moet maken, maar zich moet bezighouden met de kwetsbare groepen in de samenleving. Hun zelfredzaamheid zou vergroot kunnen worden door 'interactieve' kunstprojecten. De kunstenaar als cliniclown van de maatschappij. Naast deze verzorgingskunst ziet men veel in internet, de videoclip en de vj.

Je zou zegggen dat de nieuwe (beeld)cultuur die overal te zien is, geen museum nodig heeft. Maar niets is minder waar. Wolfson wil musea opzadelen met de grootse taak om met hem mee te zoeken naar wat kunst k n zijn. Dat is bijvoorbeeld een 'videojockey'. In een interview in deze bundel legt vj Geert Mul uit wat hij zoal doet: ,,De vj moet maar steeds afwachten wat een dj opzet en daar dan de passende plaatjes bijzoeken.''

Voor zulk werk zijn er meer dan genoeg podia, maar verrassend genoeg wil Mul in het museum exposeren, 'vanwege de macht en de middelen die ze hebben'. En dan wordt het vanzelf kunst. Goede of slechte?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden