Review

Sepúlveda gebruikt personages en plot als een handig alibi

Luis Sepúlveda: De naam van een torero. Vert. Mieke Westra. Meulenhoff, Amsterdam; 192 blz. - ¿ 34,90.

ILSE LOGIE

Sepúlveda's laatste boek, 'De naam van een torero', valt echter behoorlijk tegen. Het is geschreven in de vorm van een misdaadverhaal, een genre dat de auteur niet goed afgaat. Zijn troeven liggen vooral op het vlak van de sfeerschepping, en veel minder op dat van de intrige.

Het hoofdpersonage heet Juan Belmonte (naar een van de stierevechters uit Hemingway's 'Death in the Afternoon'). Hij is een Chileense balling met een guerilla-verleden die in Hamburg verzeild is geraakt. Op een dag wordt hij betrokken bij een zaak van gestolen munten. In de jaren veertig verdween uit de Berlijnse Spandau-gevangenis de 'Collectie van de Dolende Halve Maan'. Ze werd meegenomen door twee anti-fascistische bewakers, die de utopische droom koesterden om ze te verkopen, en er een reis naar Vuurland mee te bekostigen. Een van beide vrienden slaagde in dit opzet, de andere werd ingerekend.

Via deze onfortuinlijke en inmiddels oud geworden Ulrich krijgt de hoofdpersoon de opdracht de schat in Vuurland op te sporen. Hij stemt erin toe, omdat hij graag wil naar Chili, ook al beseft hij dat het weerzien van zijn vaderland hem zwaar zal vallen. Pinochet mag dan op een zijspoor gezet zijn, het militaire regime heeft onheelbare wonden geslagen. Belmonte's vriendin Verónica ondervond de dictatuur aan den lijve, overleefde die, maar verloor elk vermogen tot communicatie. Uit deze geschiedenis zou een sterk verhaal hebben kunnen voortkomen, als Sepúlveda zich niet geroepen had gevoeld om, in een tweede verhaalstreng, de gevolgen van de val van het communisme uit de doeken te doen.

Tegelijk met Juan heeft namelijk nog iemand anders de opdracht gekregen om de munten in Vuurland te gaan zoeken. Hij heet Frank Galinsky, gaat gebukt onder een Ossi-complex en ontvangt zijn orders van een voormalige Stasi-officier. Uiteraard zitten beide speurders elkaar aan het eind op de hielen en wordt de lezer verondersteld zich met rode oortjes af te vragen wie het halen zal.

Ondanks de vakkundige afwikkeling van de intrige, overheerst de indruk dat Sepúlveda zijn personages en zijn plot gebruikt als een handig alibi om zijn eigen meningen over het wereldgebeuren te ventileren. Hij doet dit echter niet met verve, en de oprispingen van Juan en Frank dienen slechts zijdelings het verloop van het verhaal.

Sepúlveda vergaloppeert zich in zijn poging om de hele politieke agenda van het einde van de twintigste eeuw aan te kaarten: vreemdelingenhaat en ongebreideld materialisme in Duitsland, het jammerlijke falen van de DDR, de ijzingwekkende dictatuur van Pinochet en het daaropvolgende schoorvoetende herstel van de democratie in Chili. En passant behandelt hij ook het lot van de Mapuche-Indianen in datzelfde land, de pijnlijke ballingschap van intellectuelen, de straffeloosheid van de Duitse ex-nazi kolonie in Zuid-Amerika. . .

Wellicht moest er Sepúlveda een en ander van het hart, waarbij hij echter uit het oog verloor dat goede bedoelingen alleen geen literatuur opleveren, maar vooral platitudes en valse universaliteit. De auteur heeft het slijtageproces dat de woorden en de beelden op termijn erodeert, onderschat. Hopen maar dat hij snel weer de oude wordt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden