EssaySchrijver en lezer

Schrijver Elke Geurts neemt afscheid van die Ene Lezer en dat blijkt een verrijkende ervaring

null Beeld Tjarko van der Pol
Beeld Tjarko van der Pol

Toen Elke Geurts haar columns voor Trouw begon te schrijven, wilde ze heel graag iets van één lezer, haar ex-man. Inmiddels schrijft ze voor iedereen, maar soms schuurt het, en dan voelt ze zich een oplichter.

Een week geleden trapte ik de Schellingwouderbrug in Amsterdam op, tegenwind natuurlijk, toen er een oudere man naast me kwam fietsen. Hij glimlachte en zei mijn naam. Ik glimlachte terug, fietste wat harder om hem af te schudden. De man bleef maar in hetzelfde tempo met me meefietsen. Met zijn zwarte fietshelm op. Het was natuurlijk ooit een cursist van mij geweest, wiens gezicht ik buiten het klaslokaal niet meer herkende.

“Ja! Nú zie ik het ook!”, riep ik uit. “Sorry, komt door die helm, denk ik.”

“Nee, jij kent mij niet hoor”, lachte hij. “Maar ik ken jou wel!”

“U kent mij?”

Hij knikte. Hij vertelde dat hij al jaren niet meer ­gehuild had totdat hij mijn boek las. Hoe belangrijk Ik nog wel van jou voor hem was geweest. Hij herkende er zijn verhaal in. Hij complimenteerde mij met mijn oprechte schrijven. Uit het niets werd ik aangemoedigd om er toch vooral mee door te gaan, hij vermoedde dat het moeilijk was na zo’n boek om nu iets nieuws te schrijven, en zodra we de brug over waren, verdween hij even plotseling als hij was gekomen.

Onzichtbare hand

Het leek of de wind ineens was gedraaid. Met een onzichtbare hand in mijn rug, vervolgde ik mijn weg.

Er hoeft er maar één te zijn, dacht ik. Eén lezer voor wie je het verschil maakt. Dat is alles. Eén lezer met een fietshelm op en een paar gemeende complimenten aan mijn adres. Is het zó simpel? Complimenten en tranen.

In de columns over mijn scheiding, die ik voor deze krant schreef, ging het mij in eerste instantie alleen om contact met die Ene Lezer. Dat was mijn toenmalige man die, na een kwart eeuw, zei dat hij niet meer van me hield. Dat gold daarna in zekere zin ook voor mijn roman Ik nog wel van jou (2017).

null Beeld Tjarko van der Pol
Beeld Tjarko van der Pol

Ik schrijf ‘in zeker zin’, omdat geen schrijver ooit een roman schrijft voor een lezer ­alleen, maar uiteindelijk vooral voor zichzelf. Ik schrijf om mezelf te leren begrijpen, en de wereld om me heen te ordenen door er verhalen van te maken. Ik schrijf om het overzicht te bewaren. En voor houvast.

Maar in mijn hoofd richtte ik mij wel degelijk tot hem.

Torenhoog in het vaandel

Het maakbaarheidsideaal staat bij mij als schrijver torenhoog in het vaandel. Als iets (liefde bijvoorbeeld) er niet is, kun je het zelf creëren. Mijn gereedschap is de taal. Zo begon ik die columns te schrijven, die je achteraf gezien ook stuk voor stuk zou kunnen lezen als liefdesbrieven. Als ik in mijn teksten maar duidelijk genoeg zou laten zien dat ik het waard was om voor te vechten, zou het in de werkelijkheid ook goedkomen. Ik was ervan overtuigd dat ik met mijn zinnen zijn liefde voor mij weer kon doen opflakkeren. Als ik wat ik voelde maar zo precies mogelijk onder woorden bracht, zou hij beseffen wie ik was. Wie wij ooit waren samen. In mijn teksten zou ik mij openstellen zoals ik mij nooit eerder had opengesteld, dan kwam de rest vanzelf. Ik zou hem naar me terugschrijven. Mijn gezin bij elkaar houden met taal. Eerlijk zouden mijn stukjes zijn, want wat had ik nu nog te verliezen?

Het was, behalve een idioot romantisch ideaal, natuurlijk ook een sterke drijfveer om koste wat kost die Ene Onbereikbare Lezer te willen bereiken. Het gaf mijn werk die ‘onontkoombare noodzaak’. Het welbekende hogere doel. Ik had toen een intrinsieke drijfveer die ik momenteel – drie jaar na het verschijnen van Ik nog wel van jou – nog weleens kan missen bij het werken aan mijn nieuwe boek. In mijn hoofd zit geen onbereikbare lezer meer. Weg hoger doel!

Al maak ik hier hoogstwaarschijnlijk een denkfout, want wat is er nu eigenlijk mis met bereikbare lezers? Het is voor mij van levensbelang om lezers te hebben, die je ook echt met je woorden kunt bereiken. Zo’n korte ontmoeting met een lezer, op een doordeweekse dinsdagmiddag ten tijde van een pandemie, is toch waar ik het als schrijver allemaal voor doe? Hoe fijn is het om als columnist je stukjes de wereld in te sturen en erachter te komen dat ze ergens resoneren. Want dat is wat er gebeurde met mijn ‘liefdesbrieven’, de columns die ik schreef voor Trouw. Ik bleek in mijn columns ineens iets universeels te delen met mijn lezers. Wat ik voelde, was herkenbaar voor velen. Ik was niet alleen. Mijn persoonlijke leven kon universeel worden, doordat jullie Trouw-lezers mijn columns lazen en erop reageerden. En hoe meer de tijd verstreek, hoe meer jullie de plek begonnen in te nemen van de ene lezer in mijn hoofd. Dat was belangrijk.

null Beeld Tjarko van der Pol
Beeld Tjarko van der Pol

Wat moet ik ook eigenlijk met een onbereikbare ­lezer? Dat is net zoiets als in de liefde altijd maar diegene te willen verleiden die jou nooit echt zal zien staan.

Dat is uiteindelijk nogal dom.

‘Het ontroert me’

Alleen het duurde even voordat ik dat begreep. Mijn ene onbereikbare lezer was 25 jaar lang mijn eerste lezer ­geweest. Zijn oordeel was in de loop der jaren ongemerkt het mijne geworden. Zo weet ik nog precies waar ik stond, toen ik hem de eerste versie van De weg naar zee (2013) liet lezen. Op de overloop van de eerste ver­dieping van ons huis keek ik toe hoe hij beneden op de bank zat met een stapel A4-tje en een leesbril. Kaarsrecht. Bewegingloos. Na twee jaar werk aan een roman die niet werd wat ik wilde, had ik deze novelle – over hoever je kunt gaan in de maakbaarheid van je kind – in krap twee maanden geschreven. Als mijn eerste lezer zei dat het niks was, zou ook deze stapel papier in de kachel terecht zijn gekomen. Gelukkig zei hij “Het is iets” en sprak hij daarna de legendarische woorden “Het ontroert me”.

En ontroering wil een schrijver toch van een lezer? Of niet?

Op dit moment verschijnt meteen weer die ontroerde lezeres in beeld, die me jaren geleden na een optreden op een literair festival, ineens staande hield. Vlammend rood haar. Met tranen in haar ogen stond ze voor me. Ze bleef me maar complimenteren met De weg naar zee. Ze was speciaal naar mijn lezing gekomen om mij te ontmoeten. Ze was zo blij dat ik op had durven schrijven hoe het écht zat. Zij was namelijk óók moeder van een gehandicapt kind.

Het zat ’m in het woordje ‘óók’.

“Die schaamte voor mijn kind voel ik ook”, vertrouwde ze me toe. “Het is zo fijn daar eens over te ­lezen.” Wij begrepen elkaar helemaal, zei ze. Ze vond troost in mijn woorden. Hoe meer ze zich met mij identificeerde, en hoe vaker ze haar ogen droog moest deppen, hoe slechter ik durfde te zeggen dat ik zelf helemaal geen gehandicapt kind had. Tot ik het – met goed fatsoen – echt niet meer kon benoemen. Ik transformeerde ter plekke – en woordeloos – in een moeder van een meisje met downsyndroom.

null Beeld Tjarko van der Pol
Beeld Tjarko van der Pol

Op een zeker moment wist ik mij omringd door meerdere moeders van gehandicapte kinderen, die er dus allemaal van uitgingen dat ik een van hen was. Hoe langer ik daar stond, hoe benauwder ik werd van dit o zo geweldige een-op-eencontact, waarvoor wij schrijvers het allemaal schenen te doen. Zo had ik het nooit bedoeld.

Wat ik geschreven had, kon in mijn ogen dan wel ‘ontzettend waar’ zijn, maar ik was absoluut niet mijn hoofdpersonage.

Een charlatan

Het verhaal had bij deze moeders duidelijk een snaar geraakt. Misschien zou ik juist blij moeten zijn? Maar een grotere charlatan heb ik me denk ik zelden gevoeld. Ik had alleen maar een dochter met downsyndroom gebruikt om mijn verhaal over de (niet-)maakbare wereld zo goed mogelijk te kunnen vertellen. Ja, ze was onmisbaar in de werkelijkheid die ik met taal had gecreëerd, maar wat wist ik er nou echt van?

Ik was een oplichter. Zo voelde het. Daar staand, omringd door ontroerde lezers, voelde het alsof ik mijn lezers bedrogen had door een verhaal te verzínnen. Zou je alleen als je een-op-een uit je eigen leven putte, recht van spreken hebben als schrijver?

Ik had er toen nog geen idee van dat een autobio­grafische roman van mijn hand in feite al lang en breed boven mijn hoofd bungelde. Dat ik niet veel later geen andere keuze leek te hebben dan de notulant van mijn eigen uiteengevallen leven te worden.

Ik wist niet dat ik me ook dán, in persoonlijk contact met lezers, nog heel vaak een oplichter zou voelen. Omdat ik nooit, echt nooit kon voldoen aan het beeld dat de lezers door het lezen van die roman (of de columns) van mij hadden gekregen. “Jij bent zo kwetsbaar, zo eerlijk en zo open!”, zeiden ze als ze tegenover me stonden.

Ik knikte, zoals ik dacht dat een kwetsbare, eerlijke persoonlijkheid zou knikken.

Het was alsof ik me in contact met de lezer altijd een beetje schaamde voor de discrepantie die er nu eenmaal altijd is tussen de schrijver en het verhaal dat ze vertelt. Al was ik deze keer wel echt gescheiden. Daar was gelukkig niets van gelogen.

In een heel strakke vorm

Maar wat er van mijn leven op papier stond, was ­uiteindelijk het verhaal dat ik geconstrueerd had. Ik ­gebruikte ingrediënten uit mijn eigen leven om het ­verhaal te kunnen maken dat ik moest vertellen. Elke column was door mij in een heel strakke vorm gegoten, terwijl de lezers ze vaak een-op-een als echt gebeurd ­beschouwden. Alsof het een livestream betrof.

null Beeld Tjarko van der Pol
Beeld Tjarko van der Pol

Ik kon me doodschamen als ik bij een tramhalte – of waar dan ook – een lezer tegenkwam die me ineens een hart onder de riem meende toe te moeten steken.

Ik schaamde me, omdat het me daar met mijn stukjes juist nooit om te doen was geweest. Ik voelde me die charlatan, omdat de ik-figuur – zelfs in dit heel persoonlijke verhaal – toch niet een-op-een samenviel met mij. Het was maar een deel van mij.

Oké, een schrijver wil dus absoluut niet getroost worden door een lezer. Maar met mijn werk troost kunnen bieden aan anderen, dat troostte mij dan wel weer enorm.

Altijd de eerste lezer

“Ik zal voor altijd jouw eerste lezer zijn. Dat beloof ik je”, zei mijn man nog toen hij bij me wegging. “Je kunt je werk toch gewoon voor altijd eerst naar mij mailen.”

Ik vond dat toen een hele geruststelling. De waarheid is dat ik sindsdien nooit meer een woord aan hem heb willen mailen, en dat hij ook nooit meer een letter van mij heeft willen lezen.

Tot op de dag van vandaag is hij niet verder dan pagina vier van Ik nog wel van jou gekomen. “Ik vind het niet goed geschreven.” Daar kon hij kort over zijn.

“Heel veel mensen vinden het juist wel goed geschreven, hè?”, zei ik. “Ik heb zo veel post van lezers ­gekregen. Ze vinden troost in het verhaal. Ze herkennen zichzelf in het verhaal. Het heeft ook allemaal goede ­recensies gekregen. De filmrechten van het zijn al ­verkocht. Er is inmiddels al een tiende druk.”

“Ik vind het slecht verwoord.”

“Ik praat echt niet slecht over jou in dat boek, hè?” haastte ik mij te zeggen. “Als je dat soms denkt. Daar word ik nou juist om geroemd! Dat ik altijd maar zo respectvol over je schrijf.” Licht triomfantelijk moet ik hem toen aangekeken hebben. De woorden ‘eerlijkheid’ en ‘respect’ als wapen in de strijd.

Maar ik kan in de strijd gooien wat ik wil; hij leest dat boek niet en nee, dat hoeft ook helemaal niet meer.

De ironie wil dat ik die ene lezer met mijn woorden uiteindelijk nooit heb kunnen bereiken, maar heel veel andere lezers, waaronder jullie en mijn nieuwe liefde, juist wel. En dat is zo veel meer dan ik ooit van tevoren had kunnen bedenken.

null Beeld Tjarko van der Pol
Beeld Tjarko van der Pol

Ergens zat iemand die mijn ‘liefdesverklaringen’ in deze krant elke week op de voet volgde en bij wie ze dus wel een vlammetje deden ontsteken. Hij besloot me op te bellen om me uit te nodigen voor het radioprogramma waarvoor hij werkt.

“Hoe bestaat het!”, zei hij. “Als mijn vrouw zúlke ­columns over mij zou schrijven, zou ik onmiddellijk naar haar terug rennen.”

Zie je wel. Ze bestaan toch, dacht ik. Er bestaan mannen die het begrijpen.

Dit heb ik in de loop der tijd al vaker opgeschreven en daaruit maak ik op dat dát dus heel belangrijk voor me was. In eerste instantie werd deze radioman dus getroffen door mijn woorden. In tweede instantie pas door mij.

Laatst zei hij dat hij mij bij ons eerste telefoongesprek al heel iemand anders vond dan hij naar aanleiding van mijn columns had verwacht. “Dat was echt een héle grote verrassing”, zei hij.

“Hoezo?”, vroeg ik. “Vond je me in mijn columns dan niet zo heel leuk?”

“Jawel”, zei hij, “maar in het echt ben je heel anders.”

“En in het allerechtst ben ik het allebei”, zei ik.

Elke Geurts (1973) studeerde aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht. Ze schreef toneelstukken en hoorspelen, voor ze doorbrak met de verhalenbundels Het besluit van Dola Korstjens (2008) en Lastmens (2010). In 2013 verscheen de roman De weg naar zee, ­gevolgd door Ik nog wel van jou (2017) Voor Trouw schreef ze over haar huwelijk en scheiding. Lees haar columns hier terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden