Review

'Schrijven is een marteling tot de dood erop volgt'

L. H. Wiener werd onlangs in Het Parool uitgeroepen tot de meest miskende schrijver van Nederland. Hij geniet weliswaar cultstatus onder een klein groepje schrijvers en critici als Martin Bril, Jeroen Brouwers en Arjan Peters, maar de meeste lezers laten zijn werk links liggen. Zelf had ik ook nog nooit een letter gelezen in Wieners oeuvre. Na Wieners nominatie zette ik mij daarop welgemoed aan zijn nieuwste bundel, de elfde alweer, die luistert naar de ironische titel 'Allemaal licht en warmte'.

ONNO BLOM

De miskenning van Lodewijk Henri Wiener door het grote publiek is vanzelfsprekend niet aan de schrijver zelf voorbijgegaan. Sterker nog, uit 'Allemaal licht en warmte' blijkt dat miskenning een van Wieners vruchtbaarste onderwerpen is. Zo introduceert hij zichzelf in een brief bij iemand met de frase: ,,U zult mijn werk ongetwijfeld niet kennen, want ik heb sinds 1967 pas tien verhalenbundels geschreven.'

Nog pijnlijker wordt het als de 52-jarige schrijver 's ochtends, thuis in Haarlem, de royalty-afrekening van zijn uitgever in de brievenbus vindt. ,,Eigenlijk was ik vergeten dat schrijvers aan hun boeken iets verdienden', schrijft Wiener, ,,maar daar stond het onloochenbaar: 'Ochtendwandeling' 17 en 'Niet aaien' 32. Andere schrijvers koopt men omdat ze bestsellers schrijven, mij koopt men tegen de verdrukking in.'

Deze notities maken deel uit van het 'Nachtboek', een verzameling persoonlijke ontboezemingen, brieven, mijmeringen en nauwkeurig vastgelegde gebeurtenissen die de tweede helft van het boek vullen. Wiener toont zich - zoals de ware dagboekenschrijver betaamt - schaamteloos. Hij beschrijft zijn eenzame bestaan als gescheiden man, die hunkert naar liefde, drank en succes.

Met de liefde wil het maar niet lukken. Alle vrouwen rennen van Wiener weg of veranderen in zijn aanwezigheid als bij toverslag in heksen. Zijn relatie met de oud-leerlinge Rebecca (Wiener is in het dagelijks leven docent Engels aan het gymnasium in Haarlem) is op de klippen gelopen. Ze heeft hem weliswaar twee prachtige kinderen geschonken, maar zijn 'exgenote' blaft hem inmiddels af wanneer zij kan. ,,De domheid van de vrouw kent geen diepste punt.'

De drank daarentegen blijft Wiener trouw. Hij ontvouwt een intrigerend rekensysteem, een 'Dow Jones-koers van alkoholisme', die op grond van een ingewikkelde optelling van dagen waarop wel en dagen waarop niet gedronken wordt idealiter op nul zou moeten blijven staan. ,,Een avondje met mijn kop in een emmertje bier en ik moet twee dagen aftrainen.'

Er overkomt Wiener, kortom, de ene ramp na de andere. Althans, dat is zoals hij het doet voorkomen. Want goedbeschouwd gaat het hem zo slecht nog niet. Nee, hij zwelgt graag in zijn Weltschmerz. Hij bedrijft 'misantropie voor gevorderden', om een van Wieners vorige onverkoopbare titels aan te halen. Geen zwartgallige pose is hem vreemd: ,,Schrijven is geen kunst. Het is een marteling tot de dood erop volgt.'

Alleen als hij over zijn kinderen schrijft, laat Wiener zijn koppige pessimisme varen. Zijn zoontje Arend en dochtertje Salomé blijken in staat bij hem een dijkdoorbraak van geluk te veroorzaken. Wiener schroomt op die momenten niet ook zijn zinnen te laten overstromen: ,,Hallo Salomé, mijn kleine meid / Ga je mee zeilen op zeeën van tijd?' Dat is kitsch van het zuiverste water. Toch kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat Wiener weet dat dit kitsch is, en eenieder uitdaagt er iets van te zeggen. En dat stemt droef en vrolijk tegelijk.

Het 'Nachtboek', waarover het tot nu toe is gegaan, dient als omlijsting van de verhalen in het eerste deel van de verhalenbundel. In een brief aan zijn redacteur vergelijkt Wiener het boek zelf met een muur: ,,Indien een gebeiteld, geslepen en gepolijst verhaal van mijn hand beschouwd kan worden als 'another brick in the wall' dan is mijn 'Nachtboek' het cement (alsjeblieft).' Je moet er maar op komen, voegt Wiener er ongevraagd aan toe. (Een Reviaanse uitspraak, die het best valt te beantwoorden met de vraag: En hoe kom je er weer vanaf? Maar dat terzijde.)

Het beeld van de muur is bekend, maar goed getroffen. In het 'Nachtboek' komt Wiener vaak terug op het schrijven zelf en wordt nog duidelijker hoe zijn verhalen - vaak in het holst van de nacht - zijn ontstaan. Die verhalen zelf laten overigens niets aan duidelijkheid te wensen over. Ze zijn inderdaad 'gebeiteld'. Zo is het titelverhaal 'Allemaal licht en warmte' een ontroerend, klassiek Dickensiaans verhaal over de laatste bezoeken die de schrijver aan zijn stervende moeder en zijn ouderlijk huis brengt en de herinneringen aan de tijd ,,toen alles nog bestond en nooit zou weggaan'.

Ja, het ís melancholiek, soms zelfs larmoyant. Maar wat Wieners verhalen en nachtboeknotities op de valreep overeind houdt, is zijn stijl. Hij schrijft rechttoe rechtaan, 'onopgesmukt', zoals de door hem zelf gefabriceerde achterflap vermeldt. Het lijkt me ook de enige mogelijkheid. Een barokke, theatrale stijl zou de glans van ironie onmiddellijk doen verdoffen - daar is Wiener zich constant van bewust. Kennelijk is het desondanks onvoldoende om hem aan een groot publiek te helpen. Maar voor de waardering van Wiener als schrijver maakt het niets uit. Ik leen graag zijn eigen regels uit het droef-wrede verhaal 'Kat': ,,Klein of groot maakt geen verschil. Slechts de hevigheid doet ter zake.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden