Review

Scheldende gelovigen in kroeg en kerkenraad

A. Th. van Deursen beschreef in 'Bavianen en Slijkgeuzen' hoe het Hollandse kerkvolk in de jaren rond 1619 omsprong met de strijd tussen 'rekkelijke' en 'precieze' protestanten. De tweede klassieker in een serie over de vaderlandse geschiedenis.

Jan Kuijk

Het is een misvatting dat Van Deursens 'Bavianen en Slijkgeuzen - kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldebarnevelt' bij de kerkgeschiedenis thuishoort. Van Deursen zelf schrijft ergens in zijn boek, alsof hij ons een vanzelfsprekendheid toevertrouwt: ,,De tijd is voorbij dat men kerkgeschiedenis schreef alsof de kerk hetzelfde was als de clerus, en het kerkelijk leven gelijk stond met de wetenschap der theologie.'' Maar met die zin liep Van Deursen in 1974 op de ontwikkelingen vooruit: Niemand heeft er zoveel aan bijgedragen de Nederlandse historici van dat besef te doordringen als Van Deursen zelf.

Het gaat hem in 'Bavianen en Slijkgeuzen' om gewone mensen (al zijn ze dan ook gereformeerd), mensen met al hun deugden en onhebbelijkheden, woonachtig in de steden en dorpen van de provincie Holland in het begin van de zeventiende eeuw.

De misschien wat vreemd aandoende titel van het boek verwijst naar de scheldwoorden, die de rekkelijke remonstranten ('bavianen') en de precieze calvinisten ('slijkgeuzen') elkaar in die jaren toevoegden.

De godsdiensttwisten tijdens het twaalfjarig bestand (in de oorlog tegen de Spanjaarden,1609-1621) waren al lang een vast en belangrijk onderdeel van de Nederlandse geschiedschrijving. Het was al lang duidelijk dat die godsdienststrijd vergaande consequenties had gehad op politiek en maatschappelijk terrein - denk bijvoorbeeld aan de onthoofding van de bejaarde staatsman Oldebarnevelt in 1619. Maar het vaste gezichtspunt was altijd de visie van de elite geweest. Voorbij werd gegaan aan wat Van Deursen 'het meest algemene van die tijd' noemt: de gewone mensen in de gereformeerde gemeente (al gebruikt Van Deursen, achteraf tot zijn spijt, het anachronisme van 'hervormde gemeente').

Van Deursen zocht voor 'Bavianen en Slijkgeuzen' zijn materiaal niet in de eerste plaats in de Staten van Holland of op de piepjonge Leidse universiteit, maar veeleer in de dorpskerk, de kroeg of herberg - en ook op de straat, waar de discussie menigmaal de vorm van een scheld- of vechtpartij kreeg.

Van Deursens bronnen zijn vooral de notulen van kerkenraden in zo'n veertig steden en dorpen in de provincie Holland, en brieven, en documenten van rechtsdienaren (want die moesten er nogal eens aan te pas komen), gedichten (we horen Cats en Huygens langskomen, maar ook het anonieme straatlied ontbreekt niet) en natuurlijk pamfletten - de eerstelingen, die een rijke oogst aan kranten en tijdschriften uit latere tijd aankondigen.

Het is duidelijk: de tien jaar die Van Deursen aan het Nationaal Archief verbonden is geweest, werden bepalend voor zijn wetenschappelijke aanpak aan de universiteit. Die archiefjaren hebben hem ook een meesterlijk verborgen zelfbewustzijn bijgebracht ten opzichte van de collega's die zich bij voorkeur in de bibliotheken met andermans boeken ophouden. Terloops laat Van Deursen hun weten dat zij met stevige argumenten en bewijzen zullen moeten komen, als zij het anders zien dan híj die zich bedient van de in de noten verantwoorde bronnen.

Aardig is dat Van Deursen evenmin de confrontatie schuwt met voorgangers, die al eerder op dit terrein hebben rondgelopen. Hij zegt het niet met zoveel woorden, maar voor hem is Geyl kennelijk toch het prototype van de verlichte burgerman als deze meent 'de gemiddelde mens van alle eeuwen' te mogen introduceren, die heus wel wat anders aan zijn hoofd heeft dan zwaarwichtige theologische vragen.

En bij Rogier, toch allerminst een bekrompen rooms-katholiek, krijgt Van Deursen ,,bijna de indruk dat de mens beschouwd wordt als van nature katholiek, zodat zijn overgang naar het protestantisme steeds een bijzondere verklaring nodig heeft''.

Weinigen kunnen het, zich inleven in de tijd en persoon van een ander, één van de zwaarste eisen die aan de historicus gesteld mogen worden. Van Deursen heeft er geen moeite mee en kan zich daarom zo nu en dan op een beheerste wijze boos over maken. Ironie en understatement zijn dan zijn sterkste wapen. Dat is goed voor de leesbaarheid. Er valt heel wat te gniffelen bij Van Deursen.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden