Sandro Chia, vergeten held uit Italië

Cees Straus

’Sandro Chia’. T/m 28 sep. Gemeentemuseum Den Haag. Info: www.gemeentemuseum.nl

Zo’n dertig jaar geleden kreeg de wat vastgelopen schilderkunst nieuw elan. Groepjes ’nieuwe wilden’ doken op. Ze grepen terug naar het vooroorlogse expressionisme. Elk land kreeg er helden bij. Baselitz, Penck, Immendorf en Lüpertz vonden in de Nederlanders Klashorst en Daniëls, de Zwitser Disler, de Fransman Di Rosa en de Brit Auerbach gelijkgestemde collega’s.

In Italië bracht de kunstcriticus Achille Bonito Oliva schilders als Chia, Clemente, Cucchi en Palodino samen. Hun roem was echter van korte duur. Van hun voorman Sandro Chia werd in Nederland sinds 1983 niets meer vernomen. De aankondiging dat Chia een presentatie in het Haagse Gemeentemuseum zou krijgen, schiep dan ook verwachtingen. Maar Chia’s werk wist de tijd niet te trotseren.

De Italianen zochten het niet in het expressionisme maar in de folkloristische aspecten van hun sprookjes en sagen. Bonito Oliva gaf ze het predikaat trans-avantgarde. ’Zijn’ schilders keken met een fris oog naar klassieke schildersproblemen. De schilderkunst moest weer over vorm nadenken.

Sandro Chia is bedreven in het achterom kijken naar belangrijke schildersstromingen in Italië. Het Gemeentemuseum koos voor Chia’s project uit 2002. Voor dat project (25 doeken op groot formaat die allemaal in het zelfde jaar ontstonden) beriep Chia zich op de Hollandse, maar in Rome zeer actieve Bentveughels. Chia, die deze beweging op zijn Italiaans, maar foutief Bamboccianti noemt, raakte gegrepen door de opvattingen van deze rond 1640 in Italië productieve beweging. De Bentveughels waren geen vaste groep schilders. Wie in Rome werkte, kon zich er bij aansluiten. In het voetspoor van Pieter van Laer, die in Italië de bijnaam Il Bamboccio (misvormde baby) kreeg, kwamen schilders als de broers Andries en Jan Both, Jan Miel, Cornelis van Poelenburg en Jan Asselijn naar Rome. Omdat de Bentveughels stilistische en ook sociale overeenkomsten vertoonden, kreeg de groep gilde-achtige trekken.

Het wezenlijke kenmerk van de Italianisanten die tot ver in de 18de eeuw door het Romeinse schildersklimaat werden aangetrokken, was het zo realistisch mogelijk weergeven van het leven van alledag. Het Italiaanse publiek, dat net vertrouwd was geraakt met de idealistisch georiënteerde renaissance, moest al veel wegslikken toen de Napolitaan Caravaggio zijn modellen uit de straatgoot zijn atelier binnensleepte. De Bentveughels scharrelden ook rond bij de Romeinse antiquiteiten, ze bezochten het Forum, het Capitool even graag als de kunstliefhebber van nu. Maar bovenal verkenden ze de sloppenwijken en het boerse platteland rond de stad, waar de idylles tussen herdertjes en lelieblanke deernes tussen schonkige runderen en schurftige schapen opbloeiden.

Chia vereenzelvigde zich met de Hollandse schilders door zich in de volksbuurten van Rome met zwervers en bedelaars af te geven. Zij vormen zijn belangrijkste onderwerpen in schilderijen die niets van doen hebben met die van de Bentveughels.

Integendeel, Chia is in deze serie doeken eerder een volgeling van Vincent van Gogh, speelt af en toe leentjebuur bij de Italiaanse futuristen of schaamt zich er niet voor om Cézanne te imiteren. In Chia’s optiek trekken de in keurig driedelig kostuum gehesen havelozen zich terug in een paradijselijk reservaat met een weelderige natuur. Geen arme dakloze drommel te zien, het paradijselijk loverdak biedt volgens Chia genoeg beschutting.

Zijn werken missen elk spoortje van sociale betrokkenheid. Chia wil vooral mooi schilderen. Zijn doeken zijn het aanzien waard. Maar spannend zijn ze volstrekt niet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden