Interview

Russische vrouwen zwegen veertig jaar over hun gruwelijke ervaringen in de oorlog

Nederland, Amsterdam, 26 april 2019. Actrice Karina Holla. Over Theater na de Dam. Hoofdverhaal: Hanny interviewt Karina Holla over 'Oorlogsvrouwen'. Daarnaast: groot kader met andere producties (door Sandra). Foto: Werry Crone Beeld Werry Crone

Als kind droomde mimekunstenares Karina Holla elke nacht van vliegtuigen en bommen. Nu vertelt zij, mét beweging, de verhalen van vrouwelijke Russische scherpschutters, mecaniciens of piloten. Na de oorlog moesten ze veertig jaar zwijgen over hun gruwelijke ervaringen.

Onder de titel ‘Oorlogsvrouwen’vertelt Karina Holla tijdens Theater Na de Dam enkele oorlogsverhalen van jonge Russische vrouwen, die in 1941 in dienst gingen om tegen Hitler te vechten. De verhalen komen uit ‘De oorlog heeft geen vrouwengezicht’ (1983), het eerste boek van de Wit-Russische schrijfster en onderzoeksjournaliste Svetlana Alexijevitsj. Zij kreeg in 2015 de Nobelprijs voor Literatuur.

“Alexijevitsj heeft vanwege de repressie in haar eigen land een tijd in Gotenburg gewoond”, zegt Holla: “In gesprekken met vrouwen in de Stockholmse theaterwereld, waar ik verschillende projecten heb gedaan, werd ik op dit boek gewezen. Toen ik het las, wist ik meteen dat ik daar een voorstelling over wilde maken. De verhalen gaan door merg en been en laten een heel andere kant van de oorlog zien. Terwijl de teruggekeerde mannen als helden werden vereerd, moesten de vrouwen over hun ervaringen zwijgen. Veertig jaar lang! Tot Alexijevitsj langskwam om die op te tekenen.

“Driehonderd vrouwen heeft zij geïnterviewd. Ze kreeg problemen met de censuur en werd van anti-communistische activiteiten beschuldigd. In het voorwoord bij de Nederlandse vertaling, in 2016, geeft ze voorbeelden van wat de censor schrapte. Zoals het verhaal over een telegrafiste bij een partizanensectie, die haar pasgeboren baby in het moeras moest laten zakken, opdat babygehuil hun locatie niet zou verraden aan een naderend peloton Duitsers. Gruwelijk.”

Aangrijpend

Juist dat niet-heroïsche maakt de verhalen menselijk, aangrijpend, vindt Holla: “Terwijl het toch gaat om vrouwen die scherpschutter aan het front zijn geweest en medailles hebben verdiend. Mannen verbergen zich achter de geschiedenis, vrouwen tonen meer de emotie, de kleur van alledag. Meisjes waren het vaak nog. Toen ikzelf vijftien was, had ik mijn eerste lakschoentjes. Zij gingen met een dikke vlecht het rekruteringsgebouw in en kwamen er met zo’n soldatenkuifje weer uit. Om na afloop van de oorlog, toen ze geen jurk of hakken meer gewend waren, thuis alleen maar te horen te krijgen: ‘Zo krijg je nooit een man’.” Het comité, dat Alexijevitsj de Nobelprijs toekende, noemde haar werk ‘een monument voor lijden en moed in onze tijd’.

In 2013 gaf Alexijevitsj een lezing in de Lutherse Kerk in Amsterdam en vroeg Holla haar toestemming om het boek voor theater te bewerken: “Zij sprak alleen Russisch en natuurlijk moeten de rechten dan nog geregeld worden, maar ze gaf meteen haar handtekening. Het verhaal gaat dat bij een ontmoeting met Gorbatsjov deze zei: ‘Zo’n klein vrouwtje, dat zulke indrukwekkende boeken schrijft’, en dat zij toen zei: ‘Zo’n klein mannetje, dat een imperium heeft doen wankelen’. Ik vond haar een sterke, maar ook heel pessimistische vrouw.”

Geboren in Rotterdam, in 1950, wilde Holla als jong kind niets met de oorlog te maken hebben: “Intussen droomde ik elke nacht van vliegtuigen en bommen. Op de lagere school vertelden we elkaar verhalen over wat onze vaders hadden gedaan. Aan mijn moeder vroeg ik wel: Hoe ging het dan met de vrouwen? Die namen het werk over, was het antwoord, en dat ging heel goed. Toen de mannen terugkwamen, moesten ze weer achter het aanrecht. Voor mij is dit nu een onderzoek naar hoe dat was, hoe dat gevoeld moet hebben.

Beeld Werry Crone

“Twee zangers, Rowan Kieviets en Roman Brasser, zingen aan het begin aan Oorlogsvrouwen een lied van Kurt Weill, ‘Wie lange noch?’, en aan het eind een Pools volksliedje over twee harten en vier ogen die elkaar nooit zullen ontmoeten. Zelf probeer ik, op muziek van Sjostakovitsj, de emotie in de verhalen in beweging te vertalen. Als in een soort shellshock.”

Dwangneurose

Voor mimekunstenares en theatermaakster Holla is het fysieke theater altijd uitgangspunt geweest: “Het lichamelijke en theatrale werken op de speelvloer is een broodnod ige krachtbron. Het leek weleens een dwangneurose, maar voor mij is het dé basis om energie en invallen te krijgen. Destijds ook om me tegen het hermetische van mime af te zetten en tegen de scheiding tussen mime en toneel. In de jaren tachtig zijn een documentaire van Volker Schlöndorff over de Berlijnse danseres Valeska Gert en haar eigen boek ‘Valeska, ich bin ein Hexe’ erg belangrijk geweest voor mijn ontwikkeling. Dat anarchistische van haar, in leven en theater, dat als een ronkende motor op het toneel springen, had met mij te maken, wist ik.

“Extreme metamorfosen ontdekte ik daardoor als uiterst effectief theatermiddel. In mijn voorstelling ‘Valeska’ huilde ik het ene moment dieptreurig het ‘Kummerlied’ om dan plotsklaps over te stappen op een snerpend getoonzette Japanse harakiri. Dat gaf aan hoe onverwacht dingen zich kunnen keren in het leven. Zoiets pakt het publiek moeiteloos op. Theater moet extreem en bizar zijn, omdat de smaak van het ongewone het publiek prikkelt om verder door te denken dan het gewend is.”

Karina Holla in de voorstelling Romp. Beeld Sanne Peper

Tsunami van warmte

Vorig jaar Kreeg Holla de prestigieuze toneelprijs Theo d’Or, verrassend genoeg voor een roerloze rol, die van een stervende vrouw in ‘Romp’ (Rob de Graaf): “Bijna anderhalf uur plat in bed, alleen het hoofd boven de lakens, is een kwelling voor een actrice die het vooral van beweging moet hebben. Al heb ik, realiseer ik me, zelden zonder tekst gewerkt. Wat was ik blij met die prijs. Er kwam een tsunami van warmte over me heen, ik zweefde een halve meter boven de grond en heb ook mijn toespraak gespééld. Dat uitbundige beviel hem beter dan bij literaire prijzen, schreef Arnon Grunberg over die avond. Onlangs heb ik nog in Zutphen aan de gevel van het geboortehuis van Theo Mann-Bouwmeester, de naamgeefster van de prijs, een gedenkteken onthuld. Zo knullig: het lint aan het doek over dat gedenkteken liet los.

“Misschien wil ik nog gaan schrijven, maar eerst, na Theater Na de Dam, van deze verhalen een echte, avondvullende voorstelling maken, première in november. Met waarschijnlijk meer jonge mensen erbij. Meer aandacht ook voor hoe het de vrouwen na de oorlog verging, zoals die heldin zonder armen en benen, die pas na dertig jaar haar moeder terugzag omdat zij zich schaamde.

“Als je drie jaar elders hebt gewerkt, (ondermeer voor Romp bij de Gemeenschap, red.) is het best lastig om weer een eigen productie op te starten. En als je zo fysiek speelt zoals ik, heb je wat langer nodig om bij te tanken. Maar: de adrenaline helpt, altijd weer, én ik ben een vechter.”

Oorlogsvrouwen door Compagnie Karina Holla, 4 mei in CC Amstel, Amsterdam, 21.00 uur. Info: www.theaternadedam.nl

Lees ook:

Kleine voorstellingen verslaan grote gezelschappen bij Theo d’Or en Louis d’Or

Vergeet haar lichaam: in het toneelstuk ROMP is van Karina Holla alleen haar hoofd te zien. Haar romp zit verstopt onder de deken van haar ziekenhuisbed. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden