Review

Rotterdamse 'aso's' in kampen op de hei

Nederland was na 1945 gidsland bij het isoleren en ' heropvoeden' van ' onmaatschappelijke gezinnen'. Zo werden een paar honderd Rotterdammers vlak na de bevrijding ruw van hun bed gelicht en naar kampen in Drenthe getransporteerd.

Wera de Lange

V eel van wat er in ' De ' asocialen' ' aan bod komt, is eerder behandeld in ' Geschiedenis van de onmaatschappelijkheidsbestrijding in Nederland' van Adrianne Dercksen en Loes Verplanke. Maar sinds het uitkomen van die uitvoerige studie in 1987 is er veel Nederland veranderd. Het vertrouwen in de ' softe' aanpak (clubhuizen en opbouwwerk) is verdwenen, het geloof in de harde hand is terug, de angst voor de onderklasse in diverse kleuren groeit. Daarom is het nuttig en spannend om terug te kijken naar de manier waarop Nederland tussen 1940 en 1960 met zijn ' onderklasse' omging.

' De ' asocialen', bij een Rotterdamse uitgeverij verschenen, zoomt daarvoor in op het Rotterdamse voorbeeld. Nergens was de context grimmiger. Het bombardement van mei 1940 trof juist de achterbuurten in de Rotterdamse binnenstad zwaar. Onder de tienduizenden daklozen waren er onevenredig veel die al tijden van de steun hadden geleefd en als ' sociaal zwak' of '' nog erger '' ' asociaal' te boek stonden.

Zij belandden '' eerst min of meer door toeval, later steeds meer gestuurd '' voor een groot deel in een inderhaast opgetrokken dorp van houten noodwoningen aan de Noorderkanaalweg. Daar werden ze vanaf het midden van 1943 het lijdend voorwerp van een steeds intensievere controle, uitgevoerd door mensen als de bevlogen gemeenteambtenaar Geijs en zijn team van sociale werkers.

Maar de oorlog, de groeiende tekorten en (uiteindelijk) de hongerwinter maakten het onmogelijk om van het dorpje het sociale ' laboratorium' te maken dat Geijs en zijn bazen voor ogen stond. De inwoners verstookten hun rottende woning zoveel mogelijk en sliepen in vodden op betonnen fundamenten. Ziekenhuizen en de ' tehuizen voor hongerzuchtigen' hadden lange wachtlijsten en ' asocialen komen in de allerlaatste plaats in aanmerking'; de mensen aan de Noorderkanaalweg crepeerden als ratten, in een onbeschrijflijke vervuiling. De gemeente zag het machteloos aan. Zo niet de Canadezen van het 321st Detachment for Civil Affairs, die in mei 1945 arriveerden. Zonder zich aan het Nederlandse bestuur te storen, bestookten ze de mensen aan de Noorderkanaalweg met noodrantsoenen, brachten hen groepsgewijs naar het Sportfondsenbad waar ze werden geboend, ontluisd, kaalgeschoren en in andere kleren gestoken, en stopten hen in het Landverhuizershotel aan de haven.

Het gemeentebestuur sloeg een paar maanden later terug. Een excuus was makkelijk gevonden: de zusters van het Vrouwen Hulp Korps hadden grote moeite de hotelbewoners onder de duim te houden en er werd gestolen. De dienst Sociale Zaken vond het sowieso tijd deze lastige ' asocialen' uit de stad te verbannen.

Het vereiste een juridisch ' geweldje' van minister Beel van binnenlandse zaken, maar het lukte. In het diepste geheim werd een ' evacuatie' voorbereid naar een aantal kampen in Drenthe en Overijssel. Een veteraan in de ' heropvoeding', Nol Diemers, bleek bereid de kampen te leiden. Hij zorgde dat de boel min of meer klaarstond. Op 13 juli 1945, in alle vroegte, werden de bewoners van het Landverhuizershotel wakker gemaakt en ingeladen. Nel Roodbol-Dekker, die het meemaakte: ,,(...). Er stond zelfs iemand met een geweer erbij. Je beseft eigenlijk nog niets eens of de oorlog nou is afgelopen, ja of nee.”

Uiteindelijk werden er vijfhonderd Rotterdammers neergepoot in kampen als Linde bij Zuidwolde en Stuifzand bij Ruinen, in barakken zonder douches of toiletten, zonder eigen kraan of kookplaat.

In de eerste jaren kregen de bewoners eten uit de gaarkeuken. De kampcommandant draaide om tien uur voor iedereen het licht uit. Zo snel mogelijk werd er werk geregeld voor de mannen, ongeschoold werk in fabrieken in de omgeving. De vrouwen moesten verplicht naar cursus (naaien, opvoeding, hygiene). Loonzakjes moesten gesloten worden ingeleverd bij de kampleiding, de bewoners kregen zakgeld, de rest werd op een spaarrekening gezet.

De vrouwen mochten niet zelf boodschappen doen, dat deed de gezinsverzorgster. Kleren uitzoeken gebeurde onder begeleiding en alleen het goedkoopste was toegestaan. Zo leefden de Rotterdammers, maar na enige tijd ook tal van ' asocialen' uit andere grote steden, die het Rotterdamse voorbeeld volgden. Het duurde tot eind jaren vijftig. Toen schafte minister Klompé (Katholieke Volks Partij) de kampen af.

Het boek doet niet veel meer dan deze geschiedenis in detail ophalen en van een context voorzien. Maar dat is genoeg. Slachtoffers zoals Nel Roodbol-Dekker en haar man vragen zich even verbijsterd als de lezer af hoe het mogelijk is geweest dat honderden mensen zich deze behandeling zonder noemenswaardig protest (maar in een permanente staat van machteloze woede) lieten aanleunen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden