Review

Roomse geestelijken werd verzocht op te krassen

Amsterdam is vaak trots geweest op zijn nederige afkomst. Door stevige knuisten uit het moeras getrokken, als het ware. Daar kwam geen god of keizer aan te pas. Over de eerste eeuwen van de stad verscheen een rijk geïllustreerd prachtboek, deel 1 uit een reeks van vier.

Jan Kuijk

Op het breukvlak van de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw legde Jef Suys, toen nog leraar geschiedenis op een middelbare school in Den Helder, een nijpend probleem voor aan zijn vriend en studiegenoot Jan Romein. Suys stond met zijn mond vol tanden, toen één van zijn leerlingen had gevraagd wat eigenlijk het nut was van de dam, die ergens in de 13de eeuw in de Amstel gelegd was en waaraan Amsterdam zijn naam te danken had. Romein, die toen al in de geur van geleerdheid stond, moest bekennen het evenmin te weten.

Eén ding is zeker: Suys en Romein hadden geen troost of zekerheid gevonden in het eerste deel van een vorige maand verschenen nieuwe grote geschiedenis van Amsterdam en dat is het enige negatieve wat ik over dit boek wil zeggen. Ben Speet, die de opmaat ('Een kleine nederzetting in het veen') levert voor dit vierdelige werk, moet bekennen het ook niet te weten. ,,Over de ontstaansgeschiedenis en functie van de dam is eindeloos gespeculeerd'', waarschuwt hij zijn lezers aan het slot van zijn bijdrage. Archeologen en historici kunnen het niet eens worden.

Zelfs over het jaartal van de aanleg bestaat verschil van mening. Dat is geen wonder, want archeologen hebben nooit gelegenheid gehad voor een echt onderzoek in de grond waar nu het nationaal monument op staat, en de historici beschikken voor de allervroegste geschiedenis van Amsterdam nauwelijks over schriftelijke bronnen. 'Een stad uit het niets' luidt dan ook de ondertitel van dit eerste deel.

Wie dat negatief interpreteert, is vast en zeker geen Amsterdammer, want al aan het slot van de zestiende eeuw bleek dat nederige begin voor de Amsterdammers zelf zoiets als een geuzenbegrip te zijn. Zij zijn van begin af aan trots geweest op die afkomst. Om uit de reeks geschiedschrijvers en lofzangers van Amsterdam Cornelius Plancius (iets bekort en gemoderniseerd) te citeren: ,,Laat andere steden roemen op haar lange ouderdom en haar grondlegger tot een god maken - onze koopstad heeft haar tegenwoordige heerlijkheid niet van machtige koningen, niet van iemand anders ontvangen, maar is door haar eigen vermogen, door haar bekwaamheid en goede ligging welke alle volken aanlokt, tot deze hoogte opgeklommen.''

Dat schreef Plancius in 1597, toen de Gouden Eeuw nog moest beginnen. Maar dankzij de handel op de landen en steden aan de Oostzee mocht de stad zich al in welvaart vermeien en was de gevolgen van de nog kort tevoren woedende godsdiensttwisten te boven gekomen.

Deze nieuwe Amsterdamse geschiedenis staat in een lange traditie, waarvan Eco Haitsma Mulier in zijn inleiding een beknopt overzicht geeft. Hij wijst er op dat dit nieuwe werk in menig opzicht op de schouders van zijn voorgangers staat - een bescheidenheid waarvan elke historicus doordrongen dient te zijn. Maar dit project onderscheidt zich van zijn voorgangers doordat het niet het werk is van één man, die met zijn kennis ruim zeven eeuwen omspant. Het is het resultaat van de samenwerking van elf specialisten, wier bijdragen tot een eenheid zijn gebracht door Marijke Carasso-Kok en Willy Francissen, als eind- en tekstredacteur.

Het redigeren van een dergelijk werk krijgt meestal nauwelijks aandacht van de buitenwereld, maar ik wil deze keer een uitzondering maken. Het nadeel van zo'n meerkoppig geschreven geschiedeniswerk is immers dat niet elke deskundige een begaafd schrijver blijkt te zijn, dat in elke deskundige veel eigenwijsheid ligt opgehoopt en dat het gevaar van doublures op elke pagina dreigt. De redacteuren van dit boek hebben de oplossing gevonden van even onopvallende als duidelijk aanwezige verwijzingen in de marge van de pagina naar een andere pagina, waar hetzelfde of een verwant onderwerp ter sprake komt. Zo worden we er aan herinnerd dat discussie een wezenlijk onderdeel is van geschiedschrijving en dat bladeren door een boek verrassende perspectieven kan bieden. Een woord van lof ook voor de beeld redactie, want het werk is fantastisch geïllustreerd.

Van de teksten zijn de twee bijdragen van Henk van Nierop het boeiendst. Dat heeft natuurlijk te maken met het onderwerp dat hem is toegevallen: de doorwerking van de Reformatie in Amsterdam, die tenslotte op 26 mei 1579 haar beslag krijgt als het stadsbestuur - vrij laat, dat moet er bij worden gezegd - de kant van Oranje kiest, de kerken voor de gereformeerde eredienst worden ingericht, de rooms-katholieke geestelijken en kloosterlingen vriendelijk, doch dringend wordt verzocht op te krassen (heel wat priesters komen overigens snel daarop weer terug) en de kloostergebouwen een andere bestemming krijgen. Dat jaartal 1579 vormt dan ook de afsluiting van dit eerste deel. Laten we zeggen: het einde van de Amsterdamse middeleeuwen.

Boeiende stof en Van Nierop slaagt er in er ook nog eens een echt verhaal van te maken. Vrijwel direct na het eerste openbare optreden van Luther drongen flarden van diens opvattingen tot de internationaal georiënteerde stad Amsterdam door, waar met de groei en de modernisering allerlei spanningen waren ontstaan.

De belangrijkste was de langzaam gegroeide tegenstelling tussen de Oude Zijde ten oosten van de Amstel en de Nieuwe Zijde ten westen daarvan. De Nieuwe Zijde was het nijvere en economisch kloppende hart van de stad; op de Oude Zijde werd achttien procent van de grond door kloosters ingenomen. 'Gebed zonder End' heet nog steeds een straatje op de Oude Zijde - een echo van de middeleeuwse spot. Zelfs het symbool van de stedelijke eenheid, de jaarlijkse sacramentsprocessie als herinnering aan het mirakel van Amsterdam uit 1345, werd door schimpscheuten getroffen.

Het stadsbestuur zat er maar mee, maar in de eerste stedelijke bepaling tegen de godsdienstige vernieuwingen uit 1523 werd het herstel van de eensgezindheid in de stad belangrijker gevonden dan de uitroeiing van de ketterijen - een opvatting die in de loop van de tijd ook doorklonk in de terughoudende reacties op de oekazes van de overheden in Den Haag en Brussel. En als er al een gerechtelijke uitspraak viel, was dat eerder op grond van 'samenzwering' dan op grond van 'ketterij'. 'De boel bij elkaar houden' was al vroeg het belangrijkste doel van de magistraat.

Maar dat viel niet mee in een stad met een onderhuidse hang naar het anarchisme; waar in mei 1535 het Wederdopersoproer uitbrak, in de ijzige kou van februari 1535 voorafgegaan door het geheimzinnige optreden van de 'naaktlopers'. Voor het eerst werden de vonnissen ook strenger en was er sprake van gruwelijke terechtstellingen - echter niet met de brandstapel, zoals de keizerlijke plakkaten eisten, maar met de galg. En in 1567, na de beeldenstorm, stonden de burgers opnieuw met wapens in de hand tegenover elkaar en tegenover het eigen stadsbestuur, waar inmiddels ook de tweespalt tussen gedogers en begunstigers van 'de nieuwe leer' was doorgedrongen.

Dat het allemaal nog goed gekomen is, mag een nieuw (en dan geseculariseerd) mirakel van Amsterdam heten. En dan te bedenken dat de beste jaren van de stad in deel twee moeten komen.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden