Roodkapje had vroeger geen stoere jager nodig

Gerda Dendooven, ‘De wonderlijke reis van Roosje Rood’ (2007).

Het Meertens Instituut krijgt er in één klap zevenhonderd Roodkapje-boeken bij. Handig voor de studie naar hervertellingen. Waarom werd het ooit zelfredzame meisje in de 17de eeuw ineens een hulpeloos wicht?

Beeldjes, grammofoonplaten, puzzels, poppen, spaarpotten. Veertig jaar lang verzamelde Ineke Reitsema (73) alles van Roodkapje. Maar haar collectie bevat vooral boeken, héél veel boeken: zevenhonderd stuks. Die schenkt ze nu aan het Meertens Instituut, dat onderzoek doet naar de Nederlandse taal en cultuur.

De schat aan informatie, verpakt in twaalf verhuisdozen, is net aangekomen op de bibliotheekzolder van het instituut. Onderzoeker Folgert Karsdorp struint er nieuwsgierig doorheen. Hij is onder de indruk. “Rijp en groen door elkaar”, zegt hij, terwijl hij het ene na het andere exotische boekje tevoorschijn trekt. “Veel origineel materiaal uit de negentiende eeuw. Daar hadden we nog niet zoveel van.”

‘De geschiedenis van Roodkapje, opnieuw verteld door P. Louwerse.’ (ca. 1888).

Er zitten lijvige, rijkgeïllustreerde voorlees- en prentenboeken tussen. Maar ook vodjes met kleurplaten en spelletjes. Kartonnen uitgaven voor peuters. Popup-edities. Een Nijntje-achtige variant van Dick Bruna. Een boekje met muziekknoppen op batterijen. Een Vlaamse ‘Roodkappeken’, berijmd en wel. Een poppenkast-script. Een K3-uitvoering. Een grauw gidsje, ooit meegeleverd met een pak koffie. Een miniboekje dat zich laat uitvouwen als een harmonica. “Vertederend”, mompelt de expert.

Karsdorp promoveerde in 2016 op onderzoek naar hervertellingen van het bekendste verhaal ter wereld. Hij bestudeerde zeshonderd Nederlandse Roodkapje-uitgaven uit de afgelopen twee eeuwen. Je zou dus denken dat het sprookje voor hem geen verrassingen meer kent.

Maar bij het geschonken materiaal zit veel dat Karsdorp nog nooit heeft gezien. Vreemd genoeg is hij vooral gefascineerd door de vodjes en de goedkope eenmalige uitgaven. Waarom? “Ik breng de variatie in schriftelijke Roodkapje-versies in kaart”, legt hij uit. “Zo kan ik achterhalen hoe het sprookje in de loop van de tijd is herverteld en veranderd. Dat gaat net als bij roddels en ‘fake news’: sommige versies verspreiden zich snel, andere verdwijnen. De vraag is waar dat aan ligt. Om daar achter te komen moet je alle varianten bekijken, ook degene die het niet hebben gehaald.”

Middeleeuwen

Roodkapje heeft in de loop van de geschiedenis spectaculaire transformaties ondergaan. Het sprookje is in de late Middeleeuwen ontstaan als mondeling volksverhaal, bedoeld om kinderen te waarschuwen tegen weerwolven. De vertelling was vooral populair in Noord-Frankrijk, waar van de 15de tot in de 17de eeuw een levendige vervolging heerste van ‘weerwolven’: bruten die zich in de gedaante van een wolf vergrepen aan kinderen.

‘Roodkapje, een sprookje in plaatjes naar L. Meggendorfer.’ (1907)

“Destijds waren de vertellingen nogal grof en seksueel van aard”, zegt Karsdorp. “In een vroege orale versie die pas in 1885 is opgeschreven, zit bijvoorbeeld een lange uitkleedscène. Roodkapje moet één voor één haar kledingstukken uittrekken en in het vuur gooien. Daarna moet ze bij de wolf in bed kruipen. Roodkapje noemt vervolgens alle lichaamsdelen van de wolf, zoals: ‘Wat heb jij grote schouders’. Heel suggestief allemaal.”

Een gruwelijk detail uit de vroege mondelinge versies is dat de wolf Roodkapje een bord vlees voorzet, afkomstig van haar grootmoeders hoofd. Als het onwetende meisje klaagt over harde stukjes – de tanden van oma – beweert de wolf dat het bonen zijn.

List

In deze oorspronkelijke vertellingen is Roodkapje opvallend zelfredzaam. “Zodra ze onraad ruikt, zegt ze tegen de wolf dat ze naar de wc moet”, weet Karsdorp. “De wolf laat haar uit bed stappen met een touw om haar been, zodat ze buiten kan gaan poepen. Maar Roodkapje bindt het touw aan een boom. Dankzij die list ontsnapt ze. De wolf verdrinkt. Roodkapje redt het dus helemaal alleen, zonder hulp.”

Het vrijgevochten karakter verdwijnt op slag als de Franse schrijver Charles Perrault zich over de vertelling ontfermt. In 1697 is hij de eerste die het volksverhaal opschrijft en er officieel een ‘sprookje’ van maakt. Hij verandert Roodkapje in een onnozel wicht, passief en hulpeloos, dat met huid en haar wordt verslonden.

Perrault schreef zijn versie niet alleen voor kinderen, maar ook voor de hofdames van Versailles. In de moraal aan het eind waarschuwt hij de vrouwen expliciet voor wolfachtige mannen die hen met zoetgevooisde stem verleiden en alleen uit zijn op seks. Karsdorp: “Hij geeft een sterk moraliserende draai aan het verhaal.”

Edward van de Vende, ‘Rood Rood Roodkapje’, ill. Isabelle Vandenabeele (2003).

Begin 19de eeuw komen de gebroeders Grimm met hun versie. Die vormt volgens Karsdorp een omslagpunt. “De gebroeders Grimm maken Roodkapje softer, passend bij het nieuwe kindbeeld uit de burgerlijke Biedermeierperiode. Zo laten ze het meisje redden door een jager. Het gruwelijke slot van Perrault verdwijnt. Tegelijk handhaven ze het beeld dat een meisje niet voor zichzelf kan opkomen. En ze maken het sprookje nóg moralistischer. Het is je eigen schuld als je iets overkomt, zeggen ze. Had je maar naar je ouders moeten luisteren.”

Roald Dahl

In de 20ste eeuw, vooral vanaf de jaren ’60, ontstaat er een tegenbeweging tegen Roodkapje’s afhankelijke opstelling. Diverse auteurs geven het meisje haar oorspronkelijke zelfredzaamheid terug. Roald Dahl schetst in 1982 bijvoorbeeld een geëmancipeerd meisje dat geen genade kent. Zodra de watertandende wolf haar wil aanraken, schiet ze hem overhoop. De tekst luidt: ‘In een wipje trekt zij een revolver uit haar slipje’.

Roald Dahl, ‘Gruwelijke rijmen’, ill. Quentin Blake (2012)

De Nederlandse schrijver Edward van de Vendel haalt in 2016 een soortgelijke truc uit. In zijn ‘Rood Rood Roodkapje’ voert hij een meisje op dat ontzettend van de kleur rood houdt. Met een bijl hakt ze eigenhandig de kop van de boze wolf af, blij dat ze nooit meer bij haar opgegeten grootje langs hoeft.

De explosie van vernieuwing heeft ook een islamversie opgeleverd over een meisje met een rode boerka; dit sprookje van de Franse auteur Tahar Ben Jelloun zit vol met kritiek op islamistische baardmannen. Er zijn ook varianten ontstaan met een lieve of eenzame wolf. En mengvormen met verdwaalde sprookjesfiguren; zo laat Ivo de Wijs in Roodkapje de Zeven Geitjes paraderen. Karsdorp noemt dat een ‘sprookjessalade’: hussel alles maar door elkaar, mensen snappen het toch wel. “Dat kan alleen met verhalen die ontzettend bekend zijn. Daaraan zie je hoe goed sommige sprookjes zijn geworteld in onze cultuur.”

Ondanks de radicale experimenten blijft het merendeel van de Roodkapje-uitgaven traditioneel. “Dat willen we blijkbaar”, zegt Karsdorp. Hij raakt er niet op uitgekeken. “Sprookjes gaan al zó lang mee en nog steeds vertellen we ze opnieuw. Dat blijft me fascineren.”

Lees ook:

Sprookjes gaan nooit met pensioen

De Efteling bouwt sensationele attracties maar sprookjes blijven de basis. Behouden die verhalen hun betekenis in een veranderende tijd? Op naar het sprookjesbos.

Keulen is niet bang voor de grote wolf

De wolf is terug. De een vindt dat prachtig, de ander eng. Een Duitse tentoonstelling van historische tekeningen en prenten van de wolf laat zien dat ons beeld van het dier altijd al ingewikkeld was.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden