Review

Ronald de Rooy herleest Petrarca

Welke klassieke auteurs verdienen het herlezen te worden? In de serie Italiaanse meesters vandaag: Petrarca.

Italië's invloedrijkste criticus, Gianfranco Contini, lanceerde ooit de hypothese dat de Italiaanse literatuur kan worden teruggevoerd op twee rode draden die beginnen bij het werk van respectievelijk Dante Alighieri en Francesco Petrarca (1304-1374). Hij doelde daarmee op een tegenstelling tussen twee mentaliteiten, twee karakters en twee literatuuropvattingen. De experimentele en taalgulzige Dante vindt een tegenhanger in de fijnproever Petrarca, die voortdurend bezig is de taal te verfijnen en te polijsten. Dante's veelzijdige buitenwereld staat tegenover de zich oneindig herhalende zielenroerselen van Petrarca. De allegorie tegenover de anti-allegorie. De zekerheid tegenover twijfel en onzekerheid, orde tegenover wanorde.

Hoewel op het eerste gezicht juist Petrarca's onrustige, egocentrische karakter veel beter lijkt te passen bij onze chaotische, versnipperde en individualistische tijd, zijn Dante en diens 'Komedie' ontegenzeggelijk veel populairder. Zeker is dat dit voor Petrarca allemaal bijzonder moeilijk te verteren zou zijn geweest. Al tijdens zijn leven was Dante's populariteit bij het volk hem een doorn in het oog. In een beroemde brief aan Boccaccio schrijft hij: ,,Moet ik hem [i.e. Dante] soms het applaus en de rauwe kreten van wolkaarders, kroegbazen, vechtersbazen en meer van dat soort figuren benijden, wier lofprijzingen gelijkstaan met beschimpingen?Ik prijs mezelf gelukkig dat ik net als Vergilius en Homerus dergelijke bewonderaars mis.” Petrarca gunt Dante van harte de zegepalm in de volkstaal, maar voegt daar meteen aan toe dat het Latijn – waarin hij natuurlijk zelf excelleert – van een hogere orde is.

Dit jaar is het 700 jaar geleden dat Petrarca in Arezzo werd geboren. Niet in Florence, want zijn vader werd in 1302 tegelijkertijd met Dante en vele andere witte Guelfen uit het door zwarte Guelfen heroverde Florence verbannen. Petrarca begon zijn leven op die manier in ballingschap, en zo zou het altijd blijven: peregrinus ubique, een pelgrim waar hij ook ging. Hij verhuisde en reisde veelvuldig – uit intellectuele nieuwsgierigheid, uit vrije wil, uit opportunisme.

Petrarca was kosmopoliet en Europeaan, veel meer dan Dante, die tot het bittere eind bleef hopenop zijn terugkeer in Florence. Maar wat betekenen Petrarca en zijn werk voor lezers van nu? Waarom en wat zouden we moeten (her)lezen? De Italiaanse gedichten, of juist de Latijnse brieven en de (morele) traktaten?

Vooral in zijn brieven en traktaten liet Petrarca ons een overcompleet psychologisch zelfportret na. Dit verrassend moderne zelfportret is tevens een van de belangrijkste vernieuwingen van zijn oeuvre, en het past in veel opzichten bij onze tijd: zijn onrustige geest vol dilemma's en tegenstrijdigheden, zijn constante aandacht voor morele vraagstukken, zijn narcistische poses, zijn onverzadigbare intellectuele nieuwsgierigheid, zijn politiek opportunisme, zijn liefde voor de stad en tegelijkertijd zijn hunkering naar de rust van het platteland...

Zoals past bij een meester van de paradox, is Petrarca in zijn Italiaansegedichten op zijn best en origineelst wanneer hij ook het meest irritant is, namelijk wanneer hij zijn egocentrisme en narcisme de vrije loop laat. Soms wordt zijn 'Canzoniere' wel aangeduid als een liedboek voor Laura, maar Laura is in de meeste gevallen voor Petrarca niet meer dan een aanleiding, een vertrekpunt om te spreken over zichzelf, over zijn eigen zielenleed. Voor Laura was geen plaats in Petrarca's wereld. Petrarca wist zijn eigen narcisme tot kunst en taalnarcisme te verheffen. De uiterst geraffineerde vorm van zijn gedichten is in de eeuwen na hem veelvuldig en slaafs nageaapt. Dit petrarkisme heeft Petrarca's kunst vereeuwigd maar tegelijkertijd ook tot karikatuur gereduceerd, een karikatuur die ons soms doet vergeten hoe verbijsterend knap de oorspronkelijke gedichten zijn. Niet zelden slaagde Petrarca er namelijk in om zijn poëzie tot mantra en muziek te maken en op die manier verbazingwekkend dicht langs moderne lyriek-opvattingen te scheren.

Een van de mooiste voorbeelden van deze 'liefdespoëzie' (ook hier zijn de gevoelens van de dichter zelf het stralende middelpunt) vinden we in de sonnetten 132, 133 en 134 uit de 'Canzoniere': een drieluik over het geheim en de gevolgen van de liefde. In sonnet 132 lijkt Petrarca op analytische wijze het gevoel van de liefde te willen gaan ontrafelen:

,,Als dit geen liefde is, wat is het dan? /En als het liefde is, is ze dan goed?”. En welke kenmerken heeft de liefde dan? We komen het niet te weten. In het tweede deel van het sonnet blijven de antwoorden op al deze vragen steken in de voor Petrarca zo typerende onzekere en twijfelachtige houding: ,,Zo dool ik stuurloos rond op hoge zee, /bij wisselende wind. Mijn schip is zwaar /van twijfel en draagt weinig wijsheid mee”. Wat overheerst is de samensmelting van contrasten. Het middelpunt, letterlijk en figuurlijk, van dit sonnet is het vers 7: ,,O dood die leven geeft, o leed zo zoet” (,,O viva morte, o dilectoso male”) en met een soortgelijke samensmelting van contrasten sluit het sonnet ook af: ,,zodat ik, niet meer wetend wat ik wil, /het gloeiend warm heb in de winter, maar /in hartje zomer van de koude ril.”

Een ware explosie van paradoxen en tegenstellingen treffen we in het op literatuur en muziek zo invloedrijke sonnet 134. Opnieuw een virtuoze poging om de essentie van de liefde in woorden te vatten, een poging die ook hier jammerlijk strandt in onrust, onzekerheid en verlamming: ,,Ik heb geen vrede en ik kan niet strijden, /ik hoop en vrees, ik gloei en ben van ijs, /ik zweef naar boven en ik lig te lijden,/ik heb de wereld lief die ik misprijs!”. De spanning is onhoudbaar, maar gelukkig krijgen Petrarca's zwaarmoedige woorden een komische ontlading wanneer ze eeuwen later weergalmen in een aria van een lichtvoetiger melancholicus als Mozart's Cherubino: ,,Non so più cosa con, cosa faccio, /Or di foco, ora sono di ghiaccio ...”

In Nederlandse vertaling zijn van de 'Canzoniere' tot op heden alleen bloemlezingen verschenen. De belangrijkste zijn: 'Sonnetten en andere gedichten' (vert. Frans van Dooren), 'De mooiste van Petrarca' (vert. door Ike Cialona, Robert de Does, Frans van Dooren en Joël Schuyer), en 'Sonnetten voor Laura' (vert. Ike Cialona). Verder zijn er mooie keuzes uit Petrarca's brieven (vert. Frans van Dooren) en zijn ook de belangrijkste Latijnse traktaten vertaald. De hier gebruikte vertalingen zijn van Ike Cialona.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden