Review

ROGI WIEGGod schiep de feiten, de mens maakte de verhalen

Het is een vraag die hem vaak wordt gesteld sinds zijn roman 'De moederminnaar' is verschenen. Heeft hij het met zijn moeder gedaan? Schrijver Rogi Wieg, zoon van Hongaarsjoodse emigranten, benadrukt elke keer weer dat 'De moederminnaar', de vertelling van een incestueuze verhouding tussen moeder en zoon, fictie is.

De auteur heeft echter alle begrip voor de nieuwsgierigheid van de lezer. Rogi Wieg: "Ik wist dat mensen het zouden vragen. Dat is de consequentie van het thema. Het heeft te maken met de aard van de mens waarop Truman Capote al heeft ingespeeld. Capote heeft een boek geschreven, 'In Cold Blood', over twee moordenaars die een heel gezin afslachten. Een geweldig boek maar het is fictionele journalistiek. Dus wat beschreven wordt, is echt gebeurd. Als mensen weten dat iets echt gebeurd is, dan lezen ze het toch met een ander oog dan als ze denken dat het maar een verhaaltje is. Voor veel mensen is de literaire waarde van een boek niet voldoende. Mensen hebben een verdomd hardnekkig verlangen om datgene wat gebeurt in een boek of op tv nog spannender te maken door eraan toe te voegen dat het echt is gebeurd. Dan heeft het op een of andere manier extra waarde. Neen, ik heb niet met mijn moeder geslapen" .

'De moederminnaar' is Wiegs eerste roman. Eerder verscheen van zijn hand vier dichtbundels waarvan 'Toverdraad van dagverdrijf' (1986) werd onderscheiden met de Van der Hoogtprijs. Voor 'De zee heeft geen manieren' (1987) ontving de dichter het Charlotte Kohlerstipendium. In 1990 schreef hij zijn eerste novelle 'Beminde onrust' en in het voorjaar van 1992 publiceerde hij de verhalenbundel 'Sinds gisteren zijn twee dagen verstreken'. Rogi Wieg (30) begon pas te schrijven toen hij twintig jaar was, na een korte carriere als muzikant in de lichte muziek. "Toen ik vier jaar was, was ik een soort wonderkind. Ik heb jarenlang pianoles gehad maar van de ene op de andere dag heb ik de klep van de piano dichtgegooid en ben ik me met literatuur gaan bezig houden," lacht de schrijver.

Hij ontvangt me in een bouwvallig, gezellig pand in Rotterdam-West, hartje hoerenbuurt. De 'lelijke, anonieme en grote' Maasstad is tegenwoordig de thuisbasis van de Amsterdammer Wieg. Twee maanden geleden verliet hij de Nederlandse hoofdstad hals over kop om zich bij zijn kersverse vriendin te voegen. In Rotterdam is de schrijver, zo verzekert hij mij, hard aan het werk gegaan. Hij heeft er de novelle 'Duivelsei' geschreven, bedoeld als relatiegeschenk van zijn uitgever G.A. van Oorschot, en hij is weer gaan dichten.

De hoofdfiguur in 'De moederminnaar' is een man van nog geen veertig jaar die enkele dagen in een gesticht voor geesteszieken verblijft. De man probeert de geneesheer-directeur van de inrichting te overtuigen van zijn gekte, veroorzaakt door de seksuele ervaringen die hij in zijn jeugd met zijn moeder heeft gehad. Via de mijmeringen van de hoofpersoon worden de gecompliceerde moeder-zoonrelatie en de gevolgen voor de houding van de zoon jegens zijn vader geschetst. Het schuldgevoel van de zoon over diens vermeende betrokkenheid bij de dood van zijn vader loopt als een rode draad door het verhaal. Er zijn overeenkomsten met het Griekse drama 'Oedipus Rex' van Sofocles. Koning Oedipus vermoordt zijn vader, trouwt zijn moeder maar berooft zichzelf van zijn gezichtvermogen wanneer hij beseft wat hij heeft gedaan. Rogi Wieg: "Oedipus weet niet dat hij zijn vader heeft vermoord. Mijn hoofdpersoon weet dat tussen aanhalingstekens wel en hij weet ook dat hij met zijn moeder naar bed is geweest. Oedipus niet. Ik heb het verhaal van Oedipus binnenste buiten gekeerd. Ik wilde aantonen dat het leven van een mens zo ontwricht kan raken doordat hij zijn vader bedriegt, doordat hij zijn vader vermoordt, dat hij eigenlijk in een gekkenhuis moet worden opgenomen maar - en dat is het drama - hij kan zichzelf niet verblinden. Oedipus had het nog gemakkelijk. Hij kon zijn eigen ogen laten uitbranden. Mijn hoofdpersoon kan dat niet want hij zal altijd blijven zien. Het gaat er dan ook om dat mensen moeten leven met de daden die ze hebben begaan. Het drama van het leven is dat al die pathetische uithalen, de aanvechting jezelf straffen, jezelf kapot maken, in werkelijkheid overbodig zijn. De werkelijkheid is veel harder. Die dicteert dat je moet leven met de dingen die je hebt gedaan. Er is geen uitweg."

'De moederminnaar' bevat wel enige autobiografische elementen, bekent Wieg. "Je kunt zo'n roman nooit schrijven zonder dat je er autobiografische aspecten in verwerkt, zonder dat je op een abstract niveau dingen hebt beleefd. Mijn moeder was vroeger heel aantrekkelijk en mooi. Ik had een prikkelende moeder maar ik geloof niet dat het uit de hand is gelopen, dat het tot een pathologie heeft geleid. Ik heb wel een complexe verhouding met mijn moeder. Mijn leven is er door getekend. Ik houd veel van haar maar ik kan niet met haar omgaan. Hoe dat komt? Het probleem van mijn moeder is dat zij met mij een objectverhouding heeft. Ik word benaderd als een object dat zich had moeten gedragen volgens haar maatstaven. Ik heb me in geen enkel opzicht gedragen volgens haar maatstaven. Dat is voor haar onvergeeflijk."

Hij noemt zichzelf een Portnoy's kind, zoals beschreven in het humoristische boek 'Portnoy's Complaint' van Philip Roth. Een joodse jongeman die het juk van zijn bemoeizieke moeder van zich wil afschudden. "Ondanks het feit dat mijn ouders geassimileerde joden zijn, voldoet mijn moeder aan de karikatuur van de joodse moeder. Ze is overbezorgd, mijn zusje en ik zijn volgestopt met de oorlog, we zijn overgevoelig gemaakt. Bij mij pakte dat niet echt. Ik ben een harde jongen maar het heeft me wel beinvloed. Ik had me kunnen laten onderdompelen in de eeuwige liefde van mijn moeder maar ik wilde op eigen benen staan."

Evenals in zijn andere prozawerk is het gebruik van taal in 'De moederminnaar' minimaal. Wieg schrijft afgepast, als een dichter, en hij bedient zich nauwelijks van dialogen. "Dat is heel bewust. Ik ben alleen in dialoog geinteresseerd als het in toneelvorm is. De dialoog van Arthur Miller, van Edward Albee. Dat vind ik boeiend. Ik ben geen verhalenverteller. Mijn boeken zijn niet amusant, niet onderhoudend. Het zijn bijna poetische filosofieen. Ik wil niet elitair klinken maar mijn werk is voor een select publiek dat voornamelijk in abstraheringen nadenkt en niet zozeer geinteresseerd is in het verhaal. Als je een verhaal wil lezen moet je een ander soort boek kopen."

Het leven in Wiegs boeken krijgt vooral gestalte in de denkwereld van de hoofdfiguren. Zij observeren, zij evalueren, en soms proberen ze te begrijpen wat er gaande is. De schrijver beaamt: "Het begrip hoofdpersoon neem ik heel letterlijk. Het gaat om de geest van de man of vrouw in het verhaal. Het zijn vaak mensen zonder naam, zonder achtergronden, die uit het niets komen en in het niets verdwijnen. Er wordt alleen nagedacht en gevoeld." De drijfveer van de schrijver, zo zegt hij, is gestoeld op een enorme scheppingsdrang. Een beetje spottend: "God schiep de wereld maar niet het verhaal van de wereld. Dat verhaal heeft de mens zelf gemaakt. God schiep gewoon de feiten. Ik vergelijk mezelf niet met God maar ik houd ervan om feiten te scheppen. De rest moet zich eventueel in het hoofd van de lezer afspelen, als hij dat wil. Ik verwacht eigenlijk van een prozalezer hetzelfde als van een poezielezer. Misschien heeft het iets met mijn tweetaligheid te maken. Ik denk heel vaak in het Hongaars want ik ben in het Hongaars opgevoed. Tot mijn vijfde heb ik geen Nederlands gesproken. Taal is voor mij niet alleen taal. Taal is ook een manier van denken."

Rogi Wieg gebruikt de taal eveneens als middel om zijn opvallendste obsessie te etaleren. Of het nu gaat om de rusteloze Otto Mumford in 'Beminde onrust', of de valse Oedipus in 'De moederminnaar'; de personages zijn op zoek naar de zuiverheid in de liefde; ze streven naar een versmelting met de vrouw van wie ze denken te houden. Een gevoel dat Rogi Wieg eigen is en dat voortkomt, zo mompelt hij, uit 'het kale feit' dat de mens sterfelijk is. "Dat we dood gaan is bijna niet te verwerken."

De uitkomst is dat Wieg - evenals zijn personages - zich in tijden van nood vastklampt aan de vele vriendinnen die hij heeft versleten. Een aardig detail is dat elk boek van hem aan een andere geliefde is opgedragen. "Ik ben vroeger heel ziek geweest. Ik heb veel medicijnen gebruikt, ik ben er verslaafd aan geraakt, ik heb gezworven. Ik heb een bepaalde stof in mijn hersenen, serotomine die in het bloed verdwijnt. Dan treedt er een chemisch proces op. Daardoor kreeg ik paniekaanvallen, kreeg ik dwanghandelingen. Als iemand heel paniekerig is, heel angstig en niet goed met zichzelf kan leven, kan het gebeuren dat hij andere mensen als drijfplank, als reddingsplank gebruikt." Door die gemoedstoestand wordt de schrijver nauwelijks meer geplaagd. "Ik kan nu heel goed met mezelf leven. Ik heb bijna geen last meer van die gevoelens maar ik vind nog steeds het allerbelangrijkste om met iemand te leven die volkomen zuiver is."

De zoektocht naar zuiverheid resulteert dikwijls in teleurstellingen, zoals je uit zijn werk kunt opmaken. De voor Wieg kenmerkende verbloemde wijze van schrijven licht hier en daar ook een tipje van de sluier op van de geschiedenis van zijn familie. In zijn eerste novelle en verhalenbundel komen de oorlog, de dood van zijn grootvader in een kamp, de vlucht van zijn ouders en grootmoeder in 1956 uit Boedapest en de joodse achtergrond van het gezin aan de orde. "Dat kan ook niet anders want dat is mijn achtergrond. Als ik homo was geweest zou ik over homofilie schrijven, op dezelfde abstraherende manier. Ik word nooit direct als joodse schrijver geafficheerd. Ik ben joods, dat is van ondergeschikt belang maar ik integreer het wel in mijn werk."

Toch wordt Wieg sinds kort geregeld op zijn joodse afkomst aangesproken. Tijdens het interview gaat drie keer de telefoon. Twee maal is het een telefoontje van filmer en columnist Theo van Gogh, die Wieg poogt te overreden om een artikel in HP/De Tijd te publiceren over de affaire rondom de schrijver Leon de Winter. Het derde telefoontje is van een beroemde, joodse dichteres die laat weten dat Theo van Gogh heus een antisemiet is. Oorzaak van deze consternatie is de discussie over literatuur en joodse identiteit. Deze discussie laaide op nadat De Winter een proces wegens smaad tegen het studentenblad Propria Cures had aangespannen en gewonnen. Propria Cures publiceerde een fotomontage van De Winter (een foto gemaakt voor de reclamecampagne van de boekhandelketen Libris) in een Duits massagraf. Vervolgens schreef De Winter een paginagroot artikel in NRC Handelsblad waarin hij zich verweerde tegen zijn critici die hem 'het uitventen van de joodse identiteit' verwijten. Een van de bekendste critici is Van Gogh, die reeds jaren een kruistocht tegen De Winter houdt. Van Gogh heeft deze week opnieuw voor de rechter moeten verdedigen vanwege zijn voor joden kwetsende pennestrijd.

Wieg: "Neen, Van Gogh is geen antisemiet. Hij is misschien gek, ja hij is gek en hij heeft veel mensen beledigd maar hij is geen antisemiet." Van Gogh zou volgens Wieg publiekelijk zijn excuses moeten aanbieden. Hij zou moeten toegeven dat hij de pest heeft aan Leon de Winter, dat hij uit persoonlijke motieven over de grens is gegaan en dat hij spijt heeft. "Als Van Gogh dat zegt, is zijn nesjomme (ziel) gered." Maar, benadrukt Wieg, Leon de Winter heeft de discussie over de joodse thematiek in zijn werk zelf uitgelokt. "Als je een duidelijk thema hebt, dan kan dat thema tegen je worden gebruikt. Dat is een harstikke normaal verschijnsel. Dat geldt voor iedereen, voor zwarten, gelen en dus ook voor joden. Ik vind dat De Winter paranoide op zijn critici reageert. De Winter heeft gezegd dat hij bij lezing van een recensie over een boek van hem door Jaap Goedegebuure (HP/De Tijd) moest denken aan een razzia. Dat is krankzinnig. Goedegebuure is een uitstekend criticus met een gefundeerde mening."

Een storm in een glas water, bromt Rogi Wieg die verder geen bemoeienis wil met deze zoveelste grachtengordeloorlog, zoals hij zich ook afzijdig houdt van andere hedendaagse kwesties. Zijn verklaring hiervoor is eenvoudig. "Ik heb geen maatschappelijke betrokkenheid. Ik volg het wereldnieuws, ik kijk veel naar CNN, maar in dit deel van Europa gebeurt er niks. Het is muggezifterij. Veel van mijn generatiegenoten, schrijvers van mijn leeftijd, zijn bezig met wat er hier gebeurt. Ze portretteren de tijdsgeest. Daarin ben ik niet geinteresseerd. Ik heb een eigen problematiek, een eigen thematiek, met een eigen vorm."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden