Review

Roffelen, toeteren en rietblazen

Glunderend zat Max Roach zaterdagavond temidden van zijn trommels en bekkens op het podium van de Jan Steenzaal. Het zweet liep in straaltjes van zijn hoofd. Ongestoord pakte hij zijn stokken stevig vast, keek eventjes opzij naar de leden van zijn Brass Quintet, en begon een nieuw nummer met een forse roffel.

De jazzdrummer is op zijn 74ste een levende legende. Tijdens de opkomst van de freejazz in de jaren zestig liet hij horen wat er zoal nog meer mogelijk was in het jazzslagwerk. Zaterdag concerteerde hij met zijn blaaskwintet, een dag eerder presteerde hij het om op het Dakterras ruim een uur te boeien met een spectaculair soloconcert, waarin hij met de vitaliteit van een tiener alle facetten van zijn instrument verkende.

Roach' enige zwakke plek is dat hij moeite heeft met zacht spelen. Al kan dat natuurlijk ook aan zijn gehoor liggen, na meer dan een halve eeuw spelen murw gebeukt door de zingende hoge tonen van bekkens en de donkere bassen van zijn trommels. Hetzelfde euvel toonde die andere levende drumlegende, Elvin Jones, die een paar uur na Roach optrad met zijn Jazz Machine en zijn heil eveneens in volume zocht.

Jones geldt als de vernieuwer van het bebopslagwerk. Anders dan Roach, die muzikaal nooit stil is blijven staan, speelt de drie jaar jongere Jones in zijn Jazz Machine nog altijd muziek uit de bopperiode. En anders dan bij zijn collega, staan zijn drums wel erg nadrukkelijk centraal in de muziek die hij met zijn groep brengt. Ook Roach had momenten waarop zijn spel alle aandacht kreeg, maar vaker toch vormden zijn ingenieuze ritmes een gelijkgestemd radertje in een boeiend muzikaal geheel. Bij Jones draaide alles om zijn drums. Voor de musici van zijn Jazz Machine betekende dat voortdurend inschikken en aanpassen.

Roach en Jones behoorden tot de oudste publiekstrekkers van het North Sea Jazz Festival, dat het afgelopen weekeinde zijn 24ste (en praktisch uitverkochte) editie beleefde in het Haagse Congresgebouw. Dat oudere jazzmusici blijven spelen is begrijpelijk. De een moet wel vanwege een gebrekkige pensioenregeling, de ander vanwege de lol in het musiceren. Toch is het aan de nieuwe (of althans relatief nieuwe) jazzgeneratie, die ervoor moet zorgen dat de jazz het komend millennium 'alive and kicking' blijft.

Te oordelen naar wat de jongere jazzgeneratie in het Haagse Congresgebouw presteerde, hoeven we ons daarover geen zorgen te maken. Hun optredens behoorden tot de fraaiste. Geen jazzliefhebber kan nog heen om wat 'jonkies' als de saxofonisten Joshua Redman en Branford Marsalis, pianist Brad Mehldau, violiste Regina Carter en (de Franse) trombonist Yves Robert doen en, om wat dichter bij huis te blijven, om de prestaties van pianist Michiel Borstlap en trompettist Eric Vloeimans.

De laatste speelde dit weekeinde maar liefst drie keer - al kan het zijn dat ik een gastoptreden over het hoofd heb gezien. Vloeimans maakte op dit mammoetjazzfestival indruk als toptrompettist. Op de openingsavond gebeurde dat in het gezelschap van de drie Amerikanen met wie hij onlangs het in Den Haag de met een Edison bekroonde cd 'Bitches and Fairy Tales' maakte, een dag later bij de talentvolle zangeres Francien van Tuinen en in het trio Vloeimans/Borstlap/Reijseger.

En iedere keer klonken zelfs zijn hoogste noten zuiver en hield hij in iedere solo een helder en coherent betoog. Vloeimans' concert met pianist John Taylor, bassist Marc Johnson en drummer Peter Erskine werd voorafgegaan door een optreden van het Roy Hargrove Quintet. Eén keer raden wie de beste indruk maakte. En toch trok Hargrove meer publiek en mocht de trompettist een dag later ook als gastsolist aantreden bij de Amsterdamse New Cool Collective Big Band. Zijn beste prestaties leverde Vloeimans overigens in het trio met cellist Ernst Reijseger van pianist Michiel Borstlap. Het was fascinerend om te zien hoe hij adequaat reageerde op de plaagstootjes van Reijseger en op de subtiele hints van Borstlap.

Een paar uur later kostte het Borstlap weinig moeite om met zijn groep Body Acoustic het Dakterras plat te spelen met zijn hommage aan het vroegere Weather Report. Helemaal akoestisch was het overigens niet. Jesse van Rullers elektrische gitaar en de elektrische piano, die Borstlap naast de vleugel bespeelde, dissoneerden. Nog eventjes en de pianist brengt geen hommage aan zijn idolen, maar kruipt hij letterlijk in hun huid. Een tamelijk overbodige actie, zolang Weather Reports Wayne Shorter en Joe Zawinul nog zelf muziekmaken. Toetsenist Zawinul speelde gisteravond nog met zijn Syndicate en zangeres Maria Joao.

In de begintijd van Weather Report, jaren zeventig, maakte Chick Corea furore met de groep Return to Forever. Tegenwoordig maakt de pianist smakeloze moderne jazz met zijn groep Origin, al dacht het publiek in de PWA-zaal daar anders over.

In Return to Forever speelden ook slagwerker Lenny White en bassist Stanley Clarke. In de Statenhal presenteerden zij hun nieuwste speeltje: Vertu. Daarmee brengen zij een bombastische, pretentieuze en vooral lege vorm van de jazzrock van vroeger. Zelfs de op zich aardige bijdragen van violiste Karen Briggs maakten de stukken niet minder ranzig.

Boeiender was het spel van Regina Carter - wellicht dé ontdekking van het festival. Op het podium van het Dakterras wierp ze het duffe imago van haar recente album 'Rhythms Of The Heart' af en sprong zonder reddingsvest de diepte in. Het gevolg? Prachtige, zinderende improvisaties op bekende en minder bekende nummers, gespeeld met een gloedvolle toon waarmee ze zelfs meester-jazzviolist Stephane Grapelli overtroeft.

In The Willies, de groep waarmee gitarist Bill Frisell op het festival aantrad, speelden af en toe zelfs twee violisten. Frisell verkent al een tijdje de scheidslijnen tussen jazz, country en folk. Door met twee violisten te werken met heel verschillende achtergronden (impro en country), leverde dit live heel bijzondere muziek op.

Van heel ander kaliber was de muziek die Brad Mehldau in de bloedhete, benauwde Carel Willinkzaal bracht. Met zijn trio vertolkte de jonge pianist tot voor kort voornamelijk afgekloven standards. Die bracht hij opnieuw tot leven, dat moet gezegd, maar Mehldau's eigen composities, die hij zaterdag in zijn eentje bracht, geven hem nog meer de gelegenheid in de noten te kruipen op zoek naar de essentie van de muziek. In hoeverre hij die essentie zou vinden, was daarbij niet eens van belang. Belangrijk was alleen al de zoektocht: zó fraai en bijzonder waren zijn vondsten.

Ongeveer van dezelfde leeftijd als Mehldau zijn de saxofonisten Joshua Redman, Branford Marsalis en Yves Robert. De eerste twee brengen moderne jazz waarin de traditie een overheersende rol speelt, zonder dat die de inhoud al te veel bepaalt. Robert brengt moderne improvisatie waarin hij virtuositeit als vanzelfsprekend koppelt aan diepgang. Ze lijken te weten wat ze willen, maar hoe 'volgroeid' hun muziek ook reeds klinkt, in werkelijkheid staan ze pas aan het begin van hun carrière.

Van de oudere rietblazer Henry Threadgill kan dat niet gezegd worden. Een paar jaar geleden verbaasde de altist vriend en vijand met een waar feestconcert in het Tuinpaviljoen. Dit jaar presenteerde hij zijn nieuw kwintet op het Dakterras. Een feestconcert werd het dit keer niet, wel een prachtig concert voor fijnproevers.

Wat Threadgill met zijn groepen nastreeft, is het scheppen van een nieuwe muziekvorm met dezelfde intensiteit en diepgang van, zeg, klassieke kamermuziek. In zijn kwintet werkte hij met een bezetting van gitaar, basgitaar, drums en vibrafoon. Zelf speelde hij afwisselend fluit en altsax. De muziek die hij met zijn kwintet bracht was onwerkelijk met een merkwaardige, voortdurend schiftende onderlaag en door elkaar heen lopende sololijnen. Het resultaat was betoverend, maar ook verwarrend en opruiend. Wie bleef en er moeite voor deed, kreeg er veel voor terug.

Met meer gemak werden de concerten geconsumeerd van publiekstrekkers als Dianne Reeves, het Scofield/Lovano/Holland/Foster Project, George Duke met Rachelle Ferrell, Herbie Hancock met Trijntje Oosterhuis en Femi Kuti. Reeves en Ferrell lieten zich kennen als jazzvocalistes met een poppy inslag, Oosterhuis als een popzangeres met jazz-aspiraties. Hancock bracht zoals altijd kwaliteit, Duke liet horen het metier niet verleerd te zijn, maar ook dat hij daar eigenlijk niets meer aan heeft toe te voegen. En in de 'supergroep' van gitarist John Scofield, saxofonist Joe Lovano, bassist Dave Holland en drummer Al Foster waren de musici hoofdzakelijk vriendelijk voor elkaar. Alleen Femi (zoon van Fela) Kuti bracht leven in de brouwerij door een energieke show met swingende Afrikaanse jazz en dans te brengen, die slechts vijf kwartier mocht duren, maar die net zo makkelijk de hele avond had kunnen vullen. Misschien een idee voor volgend jaar, als het North Sea Jazz Festival een kwart eeuw volmaakt: een hele avond met feestelijke Afrikaanse jazz.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden