Zwitserse literatuur Robert Walser

Robert Walser: de schrijver die geen letter meer op papier kreeg

Robert Walser

Waarom stopte de briljante Zwitser voortijdig met schrijven? Was het weerzin tegen de ambities die hem opjaagden?

De Zwitserse schrijver Robert Walser (1878 - 1956) zette de laatste 23 jaren van zijn leven geen letter meer op papier. Hij was opgenomen in een psychiatrische inrichting, waar hij zich met overgave stortte op de klusjes die hem door de staf werden toebedeeld. Niemand poetste het koper zo glanzend als hij, niemand wist een gang met zoveel toewijding te bezemen. Spreken hoorde je hem zelden. Soms maakte hij een wandelingetje. Men was er heel tevreden met hem: je had er geen kind aan. Het is een schrijnend laatste hoofdstuk in het leven van deze fantastische auteur. Hoewel hij door het grote publiek nooit echt omarmd is, behoorden beroemde schrijvers als Franz Kafka, Hermann Hesse en Robert Musil tot zijn bewonderaars. Vandaag de dag is hij een soort geheimtip onder literatuurkenners.

Dat Walser rond zijn vijftigste in die inrichting belandde, schijnt door een ongelukkig misverstand te komen. Hij bezocht een arts, omdat hij last had van nachtelijke paniekaanvallen, waardoor hij nauwelijks nog durfde te gaan slapen. Toen hij ‘ja’ zei op de vraag of hij stemmen hoorde, doelde hij op de gedachtes die onophoudelijk door zijn hoofd raasden, maar de arts, die er verder niet op doorvroeg, zag in dat antwoord voldoende aanleiding voor de diagnose ‘schizofrenie’ – waarna Walser dus (gedwongen) kon worden opgesloten.

Manisch positief

Van die gedachtenstroom die Walser teisterde kun je je wel een beetje een beeld vormen als je zijn werk kent. Vooral in zijn latere teksten (zoals in zijn roman ‘De rover’, die vorig jaar in een vertaling van Machteld Bokhove verscheen), is wat zijn personages kenmerkt – en wat de teksten vaak vreselijk komisch maakt – hun overvolle hoofd. Al ratelend vallen ze zichzelf voortdurend in de rede, ze spreken zichzelf tegen, roepen zichzelf tot de orde, lachen zichzelf badinerend uit – in hun relaas maken ze de merkwaardigste haakse bochten.

Ze zijn overwegend positief, die personages, op het manische af. Och, wat houden ze toch van de natuur, van álle seizoenen, álle weersomstandigheden, van bos, van meer, van berg, van stad. Ze houden van naar school gaan en van tucht. Lyrisch bezingen ze oer-Zwitserse deugden als efficiëntie en properheid. Van mensen houden ze ook enorm, en al helemaal van het wat ‘gedachtelozer’ soort. Hoe simpeler en dienstbaarder de persoon, hoe groter hun bewondering.

Jakob von Gunten, de verteller in Walsers gelijknamige roman uit 1909, steekt de loftrompet over zijn klasgenootjes: “Peter is zeer zeker de domste en klunzigste van ons leerlingen, en dat belaadt en bekroont hem in mijn ondoorslaggevende ogen met onderscheidingen.” Ook vriend Kraus, ‘die er een meester in is zich hals over kop gedienstig op bevelen te storten’, kan rekenen op Jakobs grenzeloze adoratie.

Het is verleidelijk dat gedweep met gedienstigheid en dommige braafheid ironisch op te vatten. Maar dat zou toch iets te eenvoudig zijn, want het fanatisme waarmee Walsers personages zich verre houden van gevoelens van neerbuigendheid is meer dan alleen een stijlmiddel.'

Zelfverachting

Als het over henzelf gaat zijn ze namelijk een stuk minder enthousiast. Met name tekenen van ‘verwaandheid’ of ‘valse bescheidenheid’ stuiten op hun meedogenloze veroordeling. Deze personages hoeven zichzelf maar op iets van ijdelheid of eergevoel te betrappen, of ze vlammen al van zelfverachting. Alsof dat nog niet lastig genoeg is, is het vervolgens ook geen optie om zichzelf wat kleiner te maken – door bijvoorbeeld te doen alsof ze zichzelf maar een nietsnut vinden – want dan overtreden ze weer dat andere zelfopgelegde verbod: dat op huichelarij.

Ze kunnen het dus eigenlijk nooit goed doen. Tenminste, zolang ze iets doen, kunnen ze het niet goed doen. Zolang ze iets nastreven zijn ze altijd laakbaar: ofwel arrogant, ofwel onoprecht. De enige manier waarop je die onophoudelijke stroom aan zelfverwijten kunt ontduiken, beseft ook Jakob von Gunten, is door te stoppen, oprecht op te houden, nog langer iets te ambiëren.

Walser is nog geen dertig als hij zijn jonge hoofdpersonage de volgende akelig voorspellende woorden in de mond legt: ‘[Op een dag] zal ik mijn hoofd, dat Kraus een stom, hoogmoedig hoofd noemt, buigen. [...] Mijn geest, mijn trots, mijn karakter, alles, alles zal breken en rotten, en ik zal dood zijn, niet echt dood, alleen in zekere zin dood, en dan zal ik misschien zestig jaar zo voortleven en -sterven.’

Wat meer eigendunk

Zestig werden het er niet. Maar 23 jaar lijkt me al een kleine eeuwigheid. Waarom hield Robert Walser op met schrijven? Waarom, in godsnaam, legde het literaire zwaargewicht zich toe op het poetsen van kandelaartjes, alsof zijn leven ervan afhing? Was het een passief-agressieve vorm van activisme, was het trots? Was het een capitulatie tegenover de stugge autoriteiten? Of was het misschien een oprechte poging – wellicht zelfs een geslaagde – om zich tevredener, rustiger, ‘gelukkiger’ te voelen, nu hij eindelijk zijn ambities had weten af te schudden?

We zullen het nooit weten. Maar och, wat hád ik Robert Walser een beetje meer hoogmoed, een beetje meer eigendunk gegund. Het was voor een schrijver van zijn kaliber niet meer dan gepast geweest.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden