Review

Richard Minne: ontnuchterde dichter

Het is alweer vijf jaar geleden dat van de Vlaamse dichter en schrijver Richard -spreek uit: Riesjaar- Minne (1891-1965) de 'Verzamelde verhalen' uitkwamen. Onder deze weidse titel vielen veertien kleine teksten, ruim zeventig bladzijden, die van een topzware verantwoording werden voorzien van bijna honderd bladzijden door de bezorgers Marco Daan en Yves T'Sjoen. Ook in zijn verhalen is Minne een dichter: hij houdt het beknopt, geeft eerder beelden dan een vertelling en het draait bij hem altijd om de stijl, de manier waarop.

T. VAN DEEL

Minnes poëzie staat hoog aangeschreven, Komrij in zijn bloemlezing rekende hem tot de groten, maar algemeen bekend kan zijn werk niet heten. Het is ook niet veel, in feite maar één bundel, 'In den Zoeten Inval' (1927), waarvan de omvang in 1955 werd verdubbeld met andere gebundelde, verspreide en uit brieven afkomstige gedichten. Minne lijkt een dichter tegen wil en dank te zijn geweest en dat bovendien maar voor een betrekkelijk korte periode: de jaren tien en twintig. In 1931 gaat hij als journalist bij het Gentse dagblad Vooruit om den brode schrijven en is het gedaan met de poëzie.

Toch heeft dat weinige hem een enorme reputatie bezorgd, vergelijkbaar met die van Nescio en Elsschot, namen die in verband met Minne nogal eens vallen. Vandaar dat er nu in de mooie biografie-reeks Open Domein van De Arbeiderspers een kloeke en zeer gedegen levensbeschrijving van hem kan verschijnen. Marco Daane heeft al het mogelijke speurwerk verricht om de feiten van Minnes bestaan, zijn leven en werk, te achterhalen. In grote lijnen was daar natuurlijk al wel het een en ander van bekend, maar Daane heeft veel nieuwe documenten achterhaald en navraag gedaan bij een menigte instanties en personen, waardoor het bestaande beeld aanzienlijk is uitgebreid, verdiept en gecorrigeerd.

Enige nadruk legt Daane op Minnes middelbare schooltijd, waarin zijn leraar Nederlands de bekende dichter René de Clercq was, die hem stimuleerde tot het schrijven van poëzie. In 1908 publiceerde hij zijn eerste gedicht in het tijdschrift Jonge Krachten. Vlaams maandschrift voor jonge elementen. Het had nog weinig om het lijf, dat vroege werk, al bleek er zowel een sociaal gevoel uit ('Het vrije lied de opstand toegewijd!') als een behoefte aan Tachtiger-woordkunst.

Minne werd vroegtijdig van school gehaald om bureeljongen en later handelsreiziger te worden. Hij was actief in de socialistische beweging, de Belgische Werkliedenpartij. Tot in de Eerste Wereldoorlog was hij daarmee verbonden. Minne was goed op de hoogte van Hegel en 'ons aller meester' Marx. Aan deze periode van een jaar of tien besteedt Daane heel veel aandacht, hij zet zijn hoofdpersoon in de politiek-sociale context van die tijd. Net als Gorter schreef Minne socialistische gedichten:

Een vlag was er geweest,

één roode vlag, wijd draaiend in de

koortsige straat.

En 't straal-geweld dat door de

wolkendeuren slaat,

O, zie, 't was of daar hoog ook socialisten

waren, bij de

zon, en naast de zon, en juichten met

de handen.

Toch bestond er een tweespalt tussen zijn opvattingen over poëzie en zijn poëziepraktijk. Hij keerde zich tegen de aristocratie en de daarbij behorende burgerlijke poëzie, die de werkelijkheid negeerde en met klassieke vormen en beelden werkte, maar zijn eigen gedichten leunden daar nog zwaar op.

Pas het afscheid van de socialistische beweging en de daarmee gepaard gaande ontnuchtering, lijkt voor de poëzie de ware Minne te hebben opgeleverd. In 1918 publiceerde hij in het tijdschrift De Regenboog 'Drie Liedjes aan den Wandelaar'; het zijn de eerste gedichten, hij is dan 27 jaar, die hij later zal opnemen in zijn eerste dichtbundel. Van het werk uit zijn socialistische periode heeft hij afstand genomen.

Samen met zijn vrienden Raymond Herreman, Maurice Roelants en Karel Leroux richtte Minne in 1921 een tijdschrift op dat geschiedenis zou maken: 't Fonteintje. Het heeft maar kort bestaan, maar lang genoeg om spraakmakend te worden. Het blad verzette zich, impliciet, tegen het modernisme van die tijd, de expressionisten, en wilde aansluiten bij de traditie. Marnix Gijsen noemde de Fonteiniers 'jonge langharigen' die 'eene vunse coterie' vormden. Minne kon zijn sarcasme, zijn melancholie, zijn ironie, zijn individualisme, zijn spotzucht, zijn relativisme in dit tijdschrift kwijt.

In 1923 stortte Minne in en moest hij op doktersadvies buiten gaan wonen en fysieke arbeid verrichtten (hij werkte in Brussel op het ministerie). Hij verhuisde van Gent naar Waterschoot, waar hij ging boeren. ,,Ik bestudeer de opbrengst van hoenders en zwijnen', schreef hij van daaruit aan Herreman. Dat zo geheel andere leven van boer is een periode geweest, waar in latere jaren nog dikwijls naar verwezen zou worden. Minne was de dichter-boer. De landelijke situering van verschillende van zijn gedichten hebben we eraan te danken. Het vierde van zijn 'Hoveniersgedichten' luidt zeer zelfironisch:

De boer heeft stro,

-God zij geloofd-,

in zijn klompen

en in zijn hoofd.

Van dichten komt niet veel meer: ,,Om half zes, (voor dag en dauw heet dat in de poëzie), moet ik uit bed. Zware, dwaze arbeid, lomp, wegend, vuil tot 's avonds acht. Dan eten, u verschoonen en 't bed weer in. Wie maakt dan nog gedichten?'

Na vier jaar boeren verhuisde Minne naar het landelijke Sint-Martens-Latem, het kunstenaarsdorp. Intussen was zijn dichtbundel, op aandrang van Herreman en Roelants, verschenen. Voortdurend geldgebrek noopt hem in 1931 bij Vooruit te gaan werken en daar is hij tot zijn pensioen gebleven. In de krant heeft hij een ontzagwekkende hoeveelheid stukken geschreven, hij had een dagelijkse kroniek op een zeker ogenblik, getiteld 'In 20 lijnen' (regels). De dichter tegen heug en meug was een broodschrijver geworden. ,,Tot op mijn laatsten dag zal ik het oogenblik vertgeweren' samen, ,,een nieuwe verzameling verzen van Richard Minne, den dichter van In den Zoeten Inval, verder eenige verhalen, benevens een serie epistelen over den nood en de nijdigheden, de hoop en de zoetheid, de wijsheid en de argeloosheden van den dichter en den mensch'. In 1955 verscheen bij Van Oorschot een mooie keus uit zijn Vooruit-columns.

Minne kreeg pas in 1946 de Driejaarlijkse Staatsprijs, nota bene voor het proza van 'Wolfijzers en schietgeweren'. Daar stonden maar een paar verhaaltjes in en verder brieffragmenten, en veel gedichten! Het gaf aanleiding tot veel commotie in de Vlaamse literaire wereld. Op zijn zestigste, in 1951, kreeg Minne een vriendenboek aangeboden, waarin Gerard Walschap schrijft dat hij ,,onze meest menselijke dichter is, onze dichter die men het meest en oprechtst kan beminnen.' Ja, Minne had zijn naam wel mee. Daane noemt hem een paar een 'dwarse spotvogel' en dat is hij zeker geweest. Het beeld dat van hem oprijst uit deze biografie is dat van een idealistisch begonnen man, die de ontnuchtering in zijn leven heeft geïncorporeerd, zonder het verlangen geheel te vervangen door spot en ironie. Dat mag blijken uit dit gedicht tot slot:

Daar is in de wereld niets, mijn God,

dan de ruimten om ons,

dan de zingende oceanen,

dan de zonnen en 't gegons

der zwermen in den avond laat,

daar is niets dan wat hol gepraat

en mijn verlangen dat vecht naar U.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden