Interview

Renate Dorrestein: Soms is iets verdringen het allerbeste wat je kunt doen

Renate Dorrestein: Als je ziek wordt, komt er een heel nieuw arsenaal aan grappen binnen je bereik. Beeld Ringel Goslinga

Schrijfster Renate Dorrestein is ongeneeslijk ziek, maar over haar naderende dood wil ze niet praten. Liever blikt ze terug op haar schrijverschap en ‘het zelfgekleide knutselgezin’, een belangrijk thema in haar werk. ‘We zijn geen mislukte zielen als we alternatieve banden smeden.’

Ze voelt zich niet goed, ze heeft pijn, ze mag vanwege de morfine niet meer rijden. De ziekte krijgt steeds meer greep op schrijfster Renate Dorrestein (63). Daarom vindt dit gesprek al eind oktober plaats in haar woonkamer in Aerdenhout. Op tafel ontbreekt de vertrouwde asbak, ze is recent gestopt met roken. Los van het shagje is ze uiterlijk de oude, verbaal ook: geestig en snel. Dorrestein begeleidt haar bloemrijke zinnen trefzeker tot de punt.

Afgelopen september maakte de schrijfster bekend dat ze aan slokdarmkanker lijdt, via een interview in de Volkskrant. De prognose is niet best, artsen geven haar nog geen jaar. Maar over het naderende einde wil ze niet meer praten, althans niet in de krant: “Ik wil er geen kroniek van een aangekondigde dood van maken. Straks krijgen we het probleem dat ik niet op tijd dood ga. Dan zeggen de mensen: ‘Huh, lééft die nog? Die heeft ook altijd wat te piepen’.”

Ze verwijst naar filosoof René Gude (1957-2015), die wel bekendstaat als ‘de man die Nederland leerde sterven’. “Dat leek me een geweldige gast, maar ik vind het openbare sterfbed, zoals hij dat uitdroeg, een akelige trend. Van mij mag de dood wel weer wat meer binnenskamers en intiemer zijn. Het is iets wat we delen met de mensen van wie we houden, met wie we ons echt hebben te verstaan.”

Dus nee, er komt geen autobiografisch boek over haar lijdensweg. “Ik zei tegen mijn man Maarten: ‘Sla me echt neer als ik plotseling zeg: Ik wil er toch over schrijven.’ Ik moet het niet doen, ik moet het niet doen. Ik vind het een kwestie van slechte, slechte smaak.”

De slechte smaak is intussen wijdverbreid. Het entertainmentprogramma ‘Shownieuws’ van SBS6 wijdde een item aan haar ziekte. Dorrestein imiteert de voice-over met een grafstem: “Nederlands meest populaire schrijfster heeft nog maar kort te leven. Orgeltoon, orgeltoon, orgeltoon. En dan zie je mij over een dijkje naar een kerkje lopen. Ik dacht: verhip, dat ben ik écht! Bleek dat ze oude tv-beelden van mij bij elkaar hadden geroofd.”

Kleffe verzoeken

Ook bereiken haar allerlei ‘kleffe’ verzoeken, bijvoorbeeld van een damesblad: ‘Beschrijf je persoonlijke rampjaar 2017 in een brief aan jezelf.’ “Ik zei tegen mijn assistente Andrea: Tegen de volgende moet je maar zeggen: ‘Jullie hebben hiervoor zeker geen honorarium meer beschikbaar, hè? Omdat dat toch nergens meer voor nodig is?’ Als je ziek wordt, komt er een heel nieuw arsenaal aan grappen binnen je bereik, dat kan ik je verzekeren.”

Waar Dorrestein wél graag over praat is ‘het huis van de fictie, met haar oneindige kamers en zalen’ - de metaforen vloeien moeiteloos uit haar mond. In dat huis verblijft ze ook nu zoveel mogelijk, tussen de ziekenhuisbezoeken door: ze heeft al zo’n 30.000 woorden van een eerste, grove versie van een nieuw boek. Waarover ze inhoudelijk niks wil zeggen: “Dat doe ik nooit.”

Kunt u zich nog op schrijven concentreren, nu de werkelijkheid zo heftig is?

“Ja, juist. De verbeeldingsrijke geest is barmhartig, die biedt troost en afleiding door tegenbeelden te verzinnen en fantastische gordijnen op te hangen voor gebieden die je tijdelijk niet wilt betreden. Soms is verdringen het allerbeste wat je kunt doen, merk ik ook weer sinds ik ziek ben. Zo beschermt je geest je, zo helpt je geest je door de stadia heen. Iedereen kent die ervaring wel: als je heel slecht nieuws krijgt, als je vader is overleden of je kind ernstig ziek, dan heb je niks, behalve het vermogen om gordijntjes op te hangen. Van tijd tot tijd lukt het om een gordijntje op te hijsen of opzij te trekken, er een blik achter te werpen. Maar als je alle ellende in één klap zou moeten overzien, zou je knetter worden.”

Haar twintigste roman ligt sinds een paar maanden in de winkels: ‘Reddende engel’, een gothic novel met een typische Dorrestein-hoofdpersoon: een vrouw van middelbare leeftijd die net door haar man is gedumpt. Sabine strandt zonder benzine op het Limburgse platteland, klopt aan bij een verlaten boerderij en raakt al gauw verstrikt in een duistere familiegeschiedenis. En in haar eigen drijfveren, want wil zij de Limburgse familie helpen of eigenlijk zichzelf?

Toen u de diagnose slokdarmkanker kreeg, was u met ‘Reddende engel’ al een flink eind gevorderd. Heeft uw gezondheid deze roman beïnvloed?

“Dat weet ik niet zeker. Ik kreeg eerst reuma, daar had ik ontzettend veel pijn en hinder van. Halverwege ‘Reddende engel’ schoot ik ineens in de lach achter mijn bureau: ‘Oh god, ik zit gewoon mijn eigen beperking te beschrijven. Ik laat Sabines leven tot stilstand komen omdat ik zelf door die reuma vastzit’. Meestal zie ik zoiets pas jaren later.

“Ik wist al vrij gauw dat Sabine in de donkere kelder van die boerderij zou belanden. Misschien heb ik door mijn fysieke conditie wel gedacht: ‘Ja, wacht eens even, die kelder is heel geestig gevonden, maar nu stropen wij de mouwen weer op, nu gaan wij ertegenaan. We moeten die kelder wel weer uit! We hebben een reddende engel nodig!

“Ik herschrijf al mijn boeken verschillende keren en rommel ze zo uit de oersoep bij elkaar. Daardoor weet ik niet wat in het schrijfproces oorzaak en gevolg is geweest, hoor. Maar dit lijkt me een aannemelijke exegese.”

U wilt graag terugkijken op uw schrijverschap ‘in de gouden eeuw’, zei u voorafgaand aan dit gesprek. Wat was er ‘goud’ aan uw tijd?

“Ik behoor tot een wonderlijke, bevoorrechte generatie schrijvers, die de gouden eeuw van het boekenvak hebben meegemaakt. Tot dat besef kwam ik dankzij schrijver Frans Thomése. We stonden tijdens een literair festival eens samen te kijken naar onze jongere collega’s toen hij zei: ‘Tsja, Renate, als wij nu op het podium zouden moeten klimmen, dan zouden we er waarschijnlijk niet eens meer tussenkomen’.

“Ik ben gedebuteerd in 1983. Vóór mij was het gebruikelijk dat schrijvers een baan hadden en tegen de tijd dat ik dood ben - dat is heel binnenkort - kunnen schrijvers ook niet meer leven van de pen. Alle jonge collega’s hebben er twee of drie banen naast, ze hebben niet eens meer de verwachting die ik had toen ik begon: ik moet kilometers maken en erg mijn best doen, maar vroeg of laat kan ik van mijn boeken bestaan.

“Een jaar of tien geleden heeft de boekenmarkt een flinke klap gekregen, dat heb ook ik zeker gemerkt: sindsdien is de verkoop van mijn boeken met zo’n dertig procent gedaald. Maar toch: ook al zijn ze in aantallen verminderd, de lezers zijn er altijd voor me geweest. Ik verdien met schrijven nog steeds ruim genoeg om van te bestaan.” De schrijfster gebaart naar de ruime woonkamer van haar statige huis: “De rest is voor de erven.”

U gebruikt vaak het woord ‘dankbaar’ als u over uw schrijverscarrière praat. Waar bent u het meest dankbaar voor?

“Voor de trouw van de lezers, voor mijn band met hen. Ik heb honderden, honderden reacties gekregen sinds bekend werd dat ik ziek ben, van lezers die schrijven - dat vind ik zo ontroerend -wat mijn werk voor hen betekent. God, ik ga huilen.”

Wat schrijven ze dan?

“Het zijn vaak vrouwen van mijn leeftijd die hun hele leven met mij meegelezen hebben en die zich door mijn werk en mijn levenshouding gestut en gesteund voelden. Ze zeggen bijvoorbeeld: ‘U schreef altijd over niet-standaardgezinnen, over zelfgekleide knutselgezinnen in honderden variaties. Dat heeft mijn ogen geopend voor het feit dat mijn eigen leven niet minderwaardig is.’

“Hieruit blijkt de enorme kracht van fictie: het verzoent je met iets. De lezer denkt: verhip, ik ben niet de enige. Er bestaan ook andere gezinnen van één vader en twee dochters, of een oma met haar kleinkind, of een stiefmoeder en een stiefdochter. Ook zij kunnen volwaardige familiebanden aangaan.

“Het ontroert me heel erg dat mensen de moeite nemen om me dit soort dingen te schrijven. Ja, daar moet ik wel even van huilen. Wat heb ik verder nog te zeuren, met zulke lezers?

“Eén mevrouw schreef op barse toon, maar dat maakt het compliment niet minder groot: U zorgt toch wel voor een opvolger?!”

Dat lijkt me nog niet zo makkelijk.

“Nee, eigenlijk wil ik ook niet dat die opvolger bestaat.”

U vormt zelf ook zo’n zelfgekleid knutselgezin met uw man Maarten, zijn dochter en de dochters van uw overleden vriendin Liesbeth. Wat trekt u in alternatieve gezinsvormen?

“Ik heb de no-family, het nepgezin, inderdaad zelf geleefd en in mijn werk geëxploreerd. Bloedbanden knellen, ze zorgen voor onontkoombare loyaliteit, velen van ons hebben daaronder geleden. Die ellende beschrijf ik in mijn werk, maar ik breng niet alleen slecht nieuws: je kunt een gezin ook zelf kiezen en maken. Negatieve ervaringen in onze eigen jeugd kunnen ons ook de weg wijzen naar nieuwe, alternatieve banden die waardevol zijn en die we kunnen samensmeden tot iets dat ons troost.”

De gangbare overtuiging is: een echtscheiding is een mislukking. Wie er niet in slaagt om een ‘gewoon’ gezin intact te houden faalt.

“Ja, maar dat doet geen recht aan de sociale werkelijkheid. Eén op de drie huwelijken mislukt. Alleen al met dat woord, ‘mislukt’, drukken we er zo’n zwaar stempel op. Terwijl een echtscheiding net zo vaak voorkomt als kanker: dat overkomt ook één op de drie.

“Veel mensen lijden onder een aangepraat gevoel van falen, dat vind ik zo vreselijk! Het is altijd mijn missie geweest om daar met mijn werk iets tegenover te stellen. We zijn geen mislukte zielen als we het op een alternatieve manier weten op te lossen. Dan zijn we juist creatief en verstandig en kunnen we goed voor onszelf zorgen.”

U heeft nooit veel willen vertellen over het gezin waarin u zelf bent opgegroeid. Nu misschien wel?

“Nee, ik ga je bitter teleurstellen. Ik heb wel gedacht: als mijn ouders dood en begraven zijn, heb ik mijn handen vrij. Maar nu ze allebei zijn overleden, realiseer ik me dat je zelf geen mooier mens wordt als je nare dingen over een ander zegt.

“En zo meteen kom ik ze natuurlijk weer tegen, in het leven na de dood. Je weet: Trouw wordt in de hemel bezorgd. Zul je zien dat ze dan net de krant hebben gelezen! Uit puur eigenbelang hou ik mijn lippen op elkaar.

“Zo laat ik meteen een mooie mythe achter: wat was er nou toch met die Renáte?”

Renate Dorrestein (25 januari 1954) debuteerde met de roman ‘Buitenstaanders’ (1983) en schreef daarna nog zo’n 35 andere boeken, waaronder ‘Ontaarde moeders’ (1992), ‘Een hart van steen’ (1998), ‘Mijn zoon heeft een seksleven en ik lees mijn moeder Roodkapje voor’ (2006) en ‘De stiefmoeder’ (2014).

In veel van haar romans staan bloedverwanten elkaar naar het leven en is het gezin bepaald geen veilige haven, eerder een gevangenis.

De zelfmoord van haar zusje in 1979 speelt een belangrijke rol in haar leven en werk, zoals onder meer blijkt uit ‘De blokkade’ (2013), waarin ze haar eigen writersblock beschrijft.

Haar beste boek is ‘Weerwater’ (2015), vindt de schrijfster zelf: “Daarin komen alle draden uit mijn oeuvre samen.” In deze apocalyptische roman wordt de hele wereld vernietigd, op één plek na: Almere, of all places.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden