PoëzieJanita Monna

Remco Campert: ‘De dood die groeit’

Beeld Trouw

‘Bekroond dichter en gevolg werden weg geknuppeld’, kopte een van de kranten destijds. Dat een groep schrijvers door de politie de toegang tot een prijsuitreiking werd ontzegd, is nauwelijks nog voor te stellen. ‘Een glimlachje’ zou het hele voorval vandaag de dag hebben opgeleverd, zei dichter Gerrit Kouwenaar een halve eeuw later: Lucebert die als ‘Keizer der Vijftigers’ in 1954 het Stedelijk Museum betrad, vergezeld van een troep als hellebaardiers verklede dichters en kunstenaars.

Remco Campert was erbij destijds. Hij was een van die ‘Vijftigers’. De experimentelen, voor wie het vooroorlogse Hollandse vers niet langer voldeed (‘er is een lyriek die wij afschaffen’), die rijm en vaste versvormen overboord gooiden en het ‘volledig leven’ de poëzie binnenhaalden. “Vergeet niet de vorm te vergeten / zelfgekozen gevangenis / open die kooi voor het laatst en voorgoed”, schreef Remco Campert veel en veel later nog eens. Hij is de laatst overgebleven Vijftiger. Maar de titel van zijn laatste bundel verraadt dat ook hij zich aan het verzoenen is met een naderend afscheid: ‘Mijn dood en ik’, het klinkt haast zorgeloos vanzelfsprekend. De dood als metgezel, een leven lang, ‘trouwe vriend / van wie ik nu afscheid neem’.

Campert schrijft nog bijna iedere dag, ‘journalistiek getrouw’, een gedicht, een productiviteit die doet denken aan die van Leo Vroman.

De wereld van de dichter werd in de loop der jaren kleiner, al in ‘Nieuwe herinneringen’ (2007) schreef hij: “ik blijf dicht bij huis / steeds dichter / dat is mijn leeftijd”.

Het leven is buiten

Klonk Campert in zijn vorige bundel ‘Open ogen’ – in gedichten over de oorlog in Syrië, over de vluchtelingencrisis – boos en uitgesproken geëngageerd, inmiddels is de taal schraler geworden, zoals Campert zelf ergens schrijft. De stilte neemt toe, gedichten hebben soms slechts enkele woorden, soms een paar regels. Die klinken breekbaar, want op elke pagina is er de dood. En die wordt de ene keer nuchter bekeken, dan bijna hoopvol verwacht of strijdbaar tegemoet getreden, om even verder nog even op afstand gehouden te worden.

Het leven is buiten, een boom in bloei, een vogel in de lucht, “ik kijk naar binnen: / de dood die groeit”. Meer dan een huiskamer heeft het volledig leven niet meer nodig. Daar geniet de dichter van het dagelijkse potje scrabble met zijn vrouw. “het woord dood leg ik niet aan / het levert te weinig punten op”. De verbazing zit ’m in het kleine, in wat net geschreven werd, bijvoorbeeld: “ik verover de dood / hij zal mij niet krijgen / hij? de dood is vrouwelijk”.

Hij herinnert zich zijn vader, zijn moeder, denkt aan gestorven vrienden. En toch heeft Campert, die ooit in maliënkolder het Stedelijk moest verlaten, in deze fluisterende miniaturen nog altijd iets baldadigs. Nog slechts een stippellijn tussen hem en het einde, maar hoe nabij die dood ook is, het hart klopt nog, ‘rode bloedrode rebel’.

raar is dit

mijn gedachten zijn verward

ik denk aan de dood

terwijl ik volop in leven ben

ik geniet van mijn vrouw

van het gedoe om me heen

gedoe? Het leven

toch denk ik aan de dood

Remco Campert

Remco Campert
Mijn dood en ik
De Bezige Bij; 48 blz. € 16,99 

Janita Monna schrijft wekelijks over poëzie voor Trouw

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden