Review

Religie is verbeelding en een goed verhaal

Verbeelding is de bron van religie en van verhalen. De Canadese schrijver Yann Martel zocht in India inspiratie voor een boek en kwam terug met een verhaal èn met een geloof.

Op een Amsterdamse gracht houdt een Indiase man mij staande. Jij ben een gelukkige vrouw, zegt hij. Dat leest hij op mijn voorhoofd. In juli zal ik mijn grote geluk vinden, maar ik moet oppassen voor een gevaarlijke vrouw. Meneer Singh is waarzegger en astroloog, staat op zijn kaartje. Als ik met hem mee ga, kan hij mij nog veel meer vertellen.

Maar ik heb een afspraak met de Canadese schrijver Yann Martel, die in India een verhaal 'vond', dat hij opschreef in het boek 'Het leven van Pi'. De tot dan onbekende Martel, met alleen twee geflopte boeken op zijn naam, won er in 2002 de Booker Prize mee en reist nu een jaar lang de wereld rond om van Amsterdam tot Phnom Penh te vertellen over zijn liefde voor verhalen.

Al heeft hij niet veel op met waarzeggers, het verhaal over meneer Singh vindt hij mooi. En daarmee zitten we in zijn visie al dicht bij erin 'geloven', het thema van zijn boek. Want verhalen en religie komen uit dezelfde bron: de verbeelding. En dat maakt van ieder verhaal een levensles, van ieder boek een bijbel. Op een dergelijke serieuze wijze spreekt Martel ook over zijn eigen bijbel 'Het leven van Pi'. ,,Dit verhaal zal je in God doen geloven'', laat Martel een van zijn personages zeggen. En Martel meent dat. Hij zegt het zonder met zijn ogen te knipperen.

Martel schreef een verhaal over de Indiase jongen Pi, die geïnteresseerd raakt in religie. Hij ontdekt eerst het hindoeïsme, dan het christendom en ten slotte de islam. Van alle drie houdt hij evenveel en aan alle drie wijdt hij evenveel aandacht en tijd.

Dan besluit zijn vader, die directeur van een dierentuin is, te emigreren naar Canada. De dieren worden tegelijk met het gezin per boot verstuurd naar dierentuinen. Maar de boot van een Japanse maatschappij lijdt schipbreuk en bij toeval belandt Pi als enige overlevende met een hyena, een zebra, een orang-oetang en een Bengaalse tijger in een reddingsboot. 227 dagen dobbert hij op de oceaan. De hyena vreet de zebra op, doodt de orang-oetang, maar verliest het van de tijger. Pi bouwt een vlot dat hij op veilige afstand aan de boot vastbindt. Hij voedt de tijger met zelfgevangen vis. In Mexico zet hij voet aan wal; de tijger, zijn vriend en vijand, is in een paar seconden in het oerwoud verdwenen.

Is het eerste deel krijgt de lezer een potpourri van religies en zo-ologie aangereikt, het gedeelte op de oceaan is meeslepend en ongelooflijk beeldend. Honger, angst, hitte, de zoektocht naar eten en drinken, de vindingrijkheid van de jongen: alles wordt aanstekelijk beschreven. Ja, zo voelt het als je op een halve meter van een tijger zit. Zo smaakt het verse bloed van een waterschildpad en natuurlijk hou je je in leven met rauwe vis, krabbetjes en zelfs naaktslakken.

In de epiloog vragen twee Japanse afgevaardigden van het ministerie van scheepvaart naar de toedracht; hij vertelt hun zijn verhaal. Ze geloven het niet. In een boot overleven met een tijger? Kom nou. Dan vertelt hij een ander verhaal. In plaats van de dieren zit hij in de sloep met de kok van het schip, een matroos, zijn moeder en hijzelf. De kok doodt de matroos en zijn moeder. Hijzelf verslaat de kok, zodat hij in zijn eentje overblijft. Geen van beide verhalen bevredigt de functionarissen, want de waarheid over het zinken van de boot kom er niet van aan het licht. Maar als Pi vraagt welk verhaal ze het mooiste vinden, kiezen ze het verhaal met de dieren erin.

En zo is het ook met God, vindt Martel. ,,Een verhaal met een visie op het transcendente is beter dan een verhaal zonder, een verhaal mét God beter dan een verhaal zonder.''

In het boek heeft Pi niet veel moeite met de atheïst die heilig gelooft in de wetenschap, wél met agnosten, die toegeven dat ze niet weten hoe het mysterie van het leven in elkaar zit. Zij hebben geen verbeeldingskracht en lopen zo het mooiste verhaal mis.

Is religie dan verbeelding?

Martel: ,,Voor religie moet je verbeeldingskracht gebruiken. God is een mysterie dat we alleen kunnen bevatten door de verbeelding. Het gaat erom hoe je de wereld en wat er gebeurt interpreteert: geloof je dat het auto-ongeluk dat je treft toeval is, of zie je het als een uitdaging die God je heeft gezonden? Voor mij is religie een interpretatie van het leven. De vraag naar de waarheid is irrelevant, je moet de feiten op de beste manier interpreteren. In de wiskunde is Pi een irrationeel cijfer dat wordt gebruikt om de wereld op een rationele manier te begrijpen. Religie werkt voor mij net zo.''

Martel ontdekte de religie toen hij vijf jaar geleden in India was om een boek te schrijven. Martel liep hopeloos vast. Midden in wat hij zelf omschrijft als een existentiële crisis, ging hij zich interesseren voor hindoeïsme, christendom en islam. En net als Pi werd hij religieus in de breedste zin van het woord. Hij besloot zijn Indiase ervaringen tot onderwerp van zijn boek te maken. ,,Het boek is niet werkelijk autobiografisch, maar in zekere zin is het wel mijn verhaal. Ik groeide op in een seculiere omgeving en wist als filosofie-student net genoeg van religie om er sarcastisch over te doen. In India ging ik net als Pi tempels, moskeeën en kerken bezoeken. Nu geloof ik dat alle religies waar zijn. Ik geloof dat de diepere betekenis van ons bestaan een mysterie is. Mensen hebben dat op verschillende manieren begrepen. Er zijn dus verschillende religies om dezelfde reden als er verschillende manieren zijn om eten te bereiden. Je hebt de Indiase, Chinese, Italiaanse en Franse keuken en voor mij is de ene niet waardevoller dan de andere.''

De combinatie van drie wereldgodsdiensten is in deze tijd wel erg politiek-correct.

Martel: ,,Dat is het absoluut niet. Ik koos ervoor omdat ik het niet wilde hebben over de instituties van de religie, maar over het hart ervan: het geloof. Niet over belief, de dogma's waaraan gelovigen zich vasthouden, maar over faith, het vertrouwen, het zich durven overgeven. Het is wel waar dat je tegenwoordig niet meer aan moet komen met een hoofdpersoon die in Jezus gelooft. Die wordt in Canada meteen afgeserveerd. Een gewone christen is onsympathiek voor veel lezers. Een moslim staat te ver van ons af en hindoeïsme... tja, dat is een folkloristisch geloof dat ergens ver weg wordt beoefend. Dan maar alle drie tegelijk.''

Hoewel Pi in het eerste deel van het boek de hele dag met religie bezig is, heeft hij het op de reddingsboot nooit over God of geloof. Tot in de kleinste details horen we over zijn angst voor de tijger, zijn hoop op redding, hoe hij de psyche van de tijger ontleedt. Hij is boos, wanhopig, moedeloos, maar geen woord over wat hij denkt over God of over Liefde, Licht of wat voor spiritueels ook. Is dit een door God gezonden beproeving, gelooft hij dat God hem zal redden of heeft verlaten? Geen idee. Het enige dat we horen is dat hij dagelijks bidt en dat het op zee lastig bepalen is waar Mekka ligt. Alsof religie een hobby is in plaats van een levenswijze. Hoe moet dit verhaal de lezer in God doen geloven?

Martel: ,,Het bewijs van God zit niet in het verhaal, maar in het feit dat er een verhaal is. De oceaan oversteken bewijst het bestaan van God niet, hooguit de vindingrijkheid van de mens. God zit niet in een tijger of in een vis die je wel of niet vangt. God zit in de interpretatie van de feiten, in het feit dat je kunt kiezen voor het mooie verhaal. Mijn boek is een verdediging van de verbeelding, en daarmee van verhalen én van religie. Religie is een goed verhaal. Is het je wel eens opgevallen dat romanlezers over het algemeen niet geloven en kerkgangers over het algemeen geen romans lezen? Beide groepen hebben hun eigen manier om hun verbeelding te gebruiken.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden