Review

Reizen, spreken en preken

Je gaat op reis om je horizon te verbreden, vinden moderne Nederlanders. Maar de vaderlandse reisliteratuur leert anders. Ontvankelijke globetrotters zijn we nog niet zo lang. Vroeger móést je vaak op reis, van God, of van je natie. En zulke reizigers zetten hun Nederlandse vooroordelen niet graag opzij.

Tegenover het fenomeen reizen kun je drie houdingen aannemen. Je wilt niet gaan; je wilt eigenlijk niet gaan, maar gaat omdat het moet; of je wilt heel graag gaan.

Je kunt, zoals de Portugese schrijver Fernando Pessoa deed, reizen verafschuwen, omdat het je verder van huis en haard brengt dan goed voor je is. Je kunt als Olivier B. Bommel op avontuur gaan, je verwonderen over al het exotische dat je ziet om uiteindelijk te concluderen dat het nergens beter is dan op slot Bommelstein. En je kunt als Cees Nooteboom de eisen die de reis aan de reiziger stelt serieus nemen en aldus een onderzoeker worden van culturen die je eigenlijk niet begrijpt.

Nederlanders behoren tegenwoordig tot de categorie die graag gaat. Wie verre reizen onderneemt en vreemde landen ziet, groeit innerlijk vanzelf ook een beetje, is de gangbare opvatting. Toch was dat niet altijd de vanzelfsprekende gedachte, zo blijkt uit ‘De Nederlandse reisliteratuur in 80 enige verhalen’, samengesteld door Jan Blokker. Het opent met de mythische reis van de monnik Sint Brandaan en eindigt met verhalen van moderne reisschrijvers als Jan Brokken, Armando, Carolijn Visser, Bob den Uyl en Adriaan van Dis.

Dat Blokker begint bij Brandaan mag kenmerkend heten voor de ontwikkeling van de reiziger. Deze begon ooit als zielreiziger ter wille van zijn eeuwige behoud en eindigde als wereldreiziger ter wille van de verbreding van zijn horizon. Van Gods pelgrim werd hij zogezegd zijn eigen pelgrim. Als monnik moet Brandaan een soort Pessoa zijn geweest. Hij had genoeg aan zijn klooster, maar moest van God, als boetedoening voor zijn kleingelovigheid, de wondere wereld rond.

Zoals Brandaan waren er meer. Jan Hendrikszoon van Beveren en broeder Jan Want bijvoorbeeld. Ze gingen te voet naar het Heilige Land omdat het moest van God en de kerk. Die plicht tekent ook hun reisverslagen. Ze nemen niet zozeer een onbekende wereld waar, maar zien te midden van vreemde oosterse mannen, vrouwen, planten en dieren toch allereerst het Nieuwe Testament. Alsof ze in een bijbels openluchtmuseum zijn aangeland, zo schrijven ze.

Heel af en toe dringt het onbekende tot hen door, als ze zich bekeken voelen door ongelovigen die hen aanstaren ’op dezelfde manier als waarop wij in onze landen naar de heidenen kijken’. Vroege fellow travellers als ze zijn, zien ze wat ze moeten zien: de sinaasappelboom waar Petrus onder stond toen de haan kraaide, het huis van Kajafas, de Calvarieberg.

De interesse voor het onbekende wordt groter wanneer er eenmaal gereisd wordt in opdracht van de wereldse overheid. Tegelijkertijd is er de onuitroeibare afkeer van het heidendom. „Hun religie strekt zover dat zij althans weten dat er een schepper is, maar verder hebben ze geen benul van bidden of een rustdag”, schrijft een calvinistische koopman, varend voor een voorloper van de VOC, over de zwarte bevolking op Madagaskar. En in het scheepsjournaal van Bontekoe lezen we over lieden zonder gevoel voor de ware God, die neervallen voor ossenhoofden op staken. Maar er zijn ook antropologische waarnemingen. „Ze hebben zeer grote gaten in de oorlellen waar ze houtjes in dragen”, schrijft de koopman over de wilden op Madagaskar. En in Brazilië constateert Dierick Ruiters – hij voer nog samen met Piet Heyn – dat „de inwoners veel meer op seks belust zijn dan de inwoners van enig ander land”.

Zo zouden er nog meer voorbeelden te geven zijn. De predikant Johannes Megapolensis bijvoorbeeld, betreurt het in Nieuw Nederland dat hij de indianentaal niet machtig is, want in dat geval zou hij eens ’diepgaand met de inboorlingen kunnen spreken en preken’. Precies in deze twee woorden ’spreken en preken’ is de nieuwe houding van de zestiende en zeventiende-eeuwse wereldreizigers samengevat. Ze varen voor de natie en het gewin, ze dragen hun calvinistische God in hun hart, ze beseffen, kortom, dat het vaderland de beste van alle werelden is en zijn nergens gelukkiger dan thuis. Toch zijn ze nieuwsgierig naar het exotische, naar het andere. Hun reisverslagen zijn dan ook rijker dan die van de pelgrims naar het Heilige Land, die door hun opgelegde godsdienstzin partieel verblind waren.

De ontvankelijkheid neemt naarmate de tijd vordert alleen maar toe. In de achttiende eeuw, waar in het spoor van de Verlichting zelfs gefingeerde reisverhalen worden gemaakt (reis door het Apenland), en in de negentiende eeuw. De fixatie op de eigen God blijft een constante, maar staat de waarneming niet langer in de weg.

Zo blijkt in een van de mooiste stukken van deze bundel, ’Mijn reis naar Amerika’, van Herman Bavinck. Deze theoloog, predikant, politicus en wapenbroeder van de gereformeerde Abraham Kuyper bezoekt in 1892 het merkwaardige land, waar mensen altijd het belangrijkst zijn. „De Amerikaan”, schrijft hij, „voelt zichzelf te veel, hij is te zeer bewust van zijn kracht, hij is te sterk van wil om calvinist te zijn.”

De kwalificatie maakte twee dingen duidelijk: Bavinck had zo zijn gedachte over zijn vaderlandse en Amerikaanse medechristenen, en hij kon en wilde goed kijken. Maar hij was nog altijd de reiziger die eigen huis en haard meenam, waar hij ook naartoe ging.

De reisschrijver die onderduikt in het onbekende zou pas in de twintigste eeuw van zich doen spreken, wanneer eigen dorp, stad en land te klein zijn geworden voor de zelfontdekking en zelfontwikkeling van de Nederlander. De bekendste is natuurlijk Cees Nooteboom. Zijn beroemdste boek (waarvan een deel is opgenomen) heet niet toevallig ’De omweg naar Santiago’, want het bedevaartsoord is voor Nooteboom doel en middel. Hij is pelgrim voor de moderne cultuurmens en voor God tegelijk, die aan de lezer het oude onbevattelijke Spanje en christendom openbaart. Soortgelijks geldt voor Santiago-ganger Herman Vuijsje. Hij reist van het heiligdom, van het geloof af naar de seculiere wereld, naar het ongeloof toe, en schrijft daarover heel treffend.

Zo zijn er talloze fraaie stukken te vinden in deze bundel met verrassende en bekende vaderlandse reisverhalen uit de hele wereld. Maar het allermooiste verhaal komt misschien wel van een late bekeerling van Pessoa, een thuisblijver op leeftijd. Moe van het cultuurreizen schrijft hij: „Ik ben te oud om te gaan dwepen. Maar het is mij waarlijk of er een nieuwe liefde in mij wakker gaat worden.” Het gevolg: een verlate, onovertroffen ode aan Den Haag van Hagenaar Louis Couperus.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden