Review

Reisopera vergeet zelfs mofje in 'Bohème' niet

'Wat een verkleumd handje' konden de première-bezoekers op de boventiteling meelezen. Op het toneel van de Utrechtse Stadsschouwburg zong Rodolfo in de persoon van Harrie van der Plas vrijdagavond dat beroemde zinnetje uit die beroemde aria in het eerste bedrijf van 'La bohème': 'Che gelida manina!' Een moment van vervoering schreef Giacomo Puccini in noten uit voor zijn opera over een stelletje levensgenieters, dagdromende kunstenaars; titaantjes heetten ze bij Nescio.

Best een mooie vertaling 'verkleumd', in deze productie van de Nationale Reisopera, met een nuancering die je even wegtrekt van de standaard-kreet 'koude-handjesaria'. Toch hadden de librettisten van Puccini (Giuseppe Giacosa en Luigi Illica) dan een ander woord moeten gebruiken. Er staat 'gelida', oftewel ijskoud, ijzig; versteend past daar het beste bij.

Wat zou het mooi zijn geweest als tenor Van der Plas in zijn voordracht ook iets van hé-wat-bijzonder had kunnen invlechten. Hij hield het bij het cliché van de 'koude-handjesaria'. Zijn wijze van expressie leek mij gemodelleerd naar 'grote' voorbeelden, uiteraard Italianen, met de hinderlijke gewoontes er bij, zoals een interval voorzien van een opstapje naar de hoogste noot.

Van der Plas, een Nederlander met al een flinke staat van dienst bij Duitse theaters, deed zich door de hele voorstelling heen weliswaar kennen als een tenor met lef in de hoogte, maar het deed me niks; er ontbrak nuancering, kleur aan. Duidelijk kwam dat tot uiting in het afscheid dat Mimi wil nemen van Rodolfo, einde derde bedrijf; in het zacht-zingen van deze tedere muziek ('Addio, sogni d'amor/Vaarwel, liefdesdromen') lagen de stembanden er kaal bij.

Hoe anders was dat het geval met dé andere rol in dit liefdesdrama, die van Mimi. Elzbieta Szmytka, een internationale renommée, maakte haar debuut in de rol van het arme borduurstertje dat met een smoesje doordringt tot de zolder én het hart van de bewoner, de schrijver Rodolfo. Vanaf haar opkomst met het schuchtere 'Scusi' ('neem me niet kwalijk') tot aan het in duet gezongen 'Amor' waar het eerste bedrijf eindigt, overtuigde Szmytka door haar nuchter-vleiende uitdrukking en fris-lieftallige klank. Helaas was de hoge slotnoot in dat 'Amor' net te hoog gegrepen.

Ook in de navolgende bedrijven wist Szmytka te ontroeren met haar klare stem en ongekunstelde acteren.

Zij had zich voor dit debuut geen beter muzikaal leider kunnen wensen dan Renes. Hij liet het Gelders Orkest niet alleen prachtig spelen, maar, belangrijker, hij realiseerde ook het gevoelselement bij Puccini, door felheid in samenklanken en ritmiek gekenmerkt. Prachtig afgewerkt waren de effecten, zoals de subtiel uitklinkende klarinetten voor Mimi's vraag 'Sono andati?/Zijn ze weg?' als de vrienden alle kanten zijn uitgevlogen om spullen te halen die de doodzieke Mimi soelaas kunnen bieden.

Ja zelfs het mofje wordt opgebracht. Want in deze productie, overgenomen van de Leipziger Opera, onder regie van Peter Konwitschny, ontbreekt niets: een Parijse sfeer met de 'lichtstad' ingenieus op het achterdoek, het kacheltje, het bonte feest bij café Momus (met onder meer een geestige optocht van kerstmannen), en de stadspoort waar de emotionele ontknoping plaatsvindt. In de sneeuw. Het snééuwt bij de Reisopera zoals ik het in jaren niet op het toneel heb gezien. Recht naar beneden vallend, om tureluurs van te worden als je gedwongen bent te kijken naar een hartroerend duet.

De voorstelling biedt, ondanks het kale speelvlak en de duisternis van de belichting, veel te zien omdat de regisseur met raffinement de scènes uitwerkte. Konwitschny plaatste bijvoorbeeld de café-scène rechts waarin de vrienden de liefde van Rodolfo belachelijk maken en Mimi grof behandelen, waarna en in het laatste bedrijf de sterfscène links met de vrienden, nu vol meeleven, even compact gegroepeerd is. Die tegenstelling licht het schrijnende van dit liefdesverhaal er opvallend uit. De detaillering spoorde met wat dirigent Renes bij het orkest deed. Het bleef zeker een minuut doodstil aan het einde van de voorstelling, zo gespannen was de aandacht bij het publiek. Dat maakt deze productie tot een van de beste uit de periode van vijf jaar dat intendant Langevoort de scepter zwaait over de Reisopera.

Uitstekend was zijn keuze voor een prachtig ensemble van vrienden met Marcel Boone als Schaunard, Robert Bork als Marcello, Michail Schelomianski als Colline (met een schitterend vertolkte lofzang op zijn oude jas), en een pittige Catherine Dubosc als Musetta (in een smakelijke haute couture gestoken door decor/kostuumontwerper Johannes Leiacker). Plus de goedbezette kleine rollen (Tom Haenen als een waardige Alcindoro), en heerlijke gezongen jolijt van het koor en van Twentse kinderen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden