Review

Reis naar de achteringang van het paradijs

Jacq Vogelaar: Weg van de pijn. De Bezige Bij, Amsterdam, 1994; 272 blz. - ¿ 39,50.

Dat hoort hij zijn moeder zeggen. Zij voegt de daad bij het woord en zet hem onder begeleiding van Jean, de man van het superdikke luchtmens Mona uit de vorige roman, op de trein. Het is de bedoeling dat hij bij zijn vader wordt afgeleverd, bij de man dus bij wie het hele gezin is weggegaan, toen Ben vier jaar was. Jean heeft zijn adres, maar als ze daar aankomen, blijkt daar allang iemand anders te wonen, die geen idee heeft waar de vroegere bewoner naartoe is gegaan.

Intussen is de verdrijving uit Moorgat voor Ben zoiets geworden als de terugkeer naar het paradijs van zijn vroegste jeugd. Hij denkt zich de huiselijke situatie van toen in, vooral de kachel herinnert hij zich en hevig maakt zich het verlangen van hem meester terug te gaan in de tijd.

Dan volgt een zoektocht naar het nieuwe adres. Vogelaar laat die twee, de oud ogende jongen en de kinderlijke oude man, rondzwerven, in pensions overnachten, een beetje Beckett-achtig in een ondefinieerbaar niemandsland met koffers zeulen, en ten slotte in een bos belanden, waar Jean aan Ben de opdracht geeft door te lopen, want verderop woont zijn vader.

“Hier is de grens, zegt de man tegen de jongen en wijst naar een struik, een struik die er in de ogen van de jongen niet anders uitziet dan de struiken eromheen of de vele struiken die ze eerder zijn tegengekomen, waar ze zich af en toe doorheen hebben moeten worstelen, zijn handen zitten onder de striemen; ook is de struik die Jean als grenspost aanwijst niet anders dan de vele struiken die hij voor zich ziet, die steeds dichter worden en in elkaar grijpen, als willen ze hem de weg versperren - en hij moet daarheen, alleen, zo dringt het, langzaam als het licht door de boomkruinen, tot hem door wanneer Jean, die hem zojuist het papiertje met het adres in zijn vrije hand heeft gestopt, voor de derde keer tegen zijn dovemanoren zegt: Doorlopen . . . Ik moet terug, jij gaat verder en je vraagt het maar ergens. Hij woont hier vlakbij, je vader, aan de andere kant van de grens, doorlopen . . .” Maar Ben raakt het bos niet uit, hij rent een soort achtjes en verstopt zich op een zeker moment in een hol, als een dier, en daar, stilzittend, bereikt hij een rust en een verinnerlijking die bijna vegetatief genoemd kunnen worden. Als hij zich op een dag te water begeeft in het ven, terug in de moederschoot als het ware, blijkt Jean weer terug te zijn gekomen, om niet gehele duidelijke redenen, maar waarschijnlijk omdat hij schuldgevoel had, aangezien hij de opdracht Ben af te leveren bij zijn vader niet tot het einde toe had vervuld. Beiden beginnen nu aan een lange reis oostwaarts, per trein, naar een Pools aandoend land, waar Jeans eigen wortels liggen.

Ineens is het verhaal ogenschijnlijk er niet meer op gericht om Ben bij zijn vader te krijgen, maar om Jean zijn jeugd en zijn vaderhuis te laten hervinden. Het is duidelijk dat deze nieuwe 'weg' die wordt ingeslagen, parallel loopt met de vaderzoektocht van Ben. Het is een initiatie, hij wordt ingewijd in wat er in de wereld te koop is. En op het eind zal ook deze tocht, via een grote omweg, een terugtocht blijken naar de vader.

Jeans verleden kent of herkent hem niet meer. Overal waar hij komt, stuit hij op onbegrip en afweer, het lijkt wel alsof hij zich zijn verleden heeft gedroomd. Hij wil de afgebroken draad weer oppakken, maar er is geen draad te vinden. Het stel raakt totaal berooid en begint aan een moeizame terugtocht. Behalve allerlei avonturen, uiterlijk, beleeft Ben op deze dolage ook innerlijk veel. Zoals ik het hier vertel lijkt 'Weg van de pijn', via dolorosa, een kruisweg met avontuurlijke trekken, en dat is ook wel zo, maar het gaat toch voornamelijk om wat Ben van deze reis leert. In de vorm van een verhaal (in het verhaal van de roman dus) krijgt hij van Jean diens voorgeschiedenis te horen, een geschiedenis die opmerkelijke overeenkomsten vertoont met zijn eigen geschiedenis. Ook herinnert Ben zich weer de oorlogssituatie omwille waarvan zijn moeder met haar kinderen het vaderhuis verlieten.

Eenmaal terug neemt Jean contact op met de vader, zo lijkt het, en hij komt met het bericht dat de vader Ben nog niet kan ontvangen. Hij moet wachten op het geschikte moment en wordt op kostschool in de buurt geplaatst. Aldoor maar komt Jean met uitstel van de ontmoeting aandragen, tot Ben geen uitstel meer gedoogt en hem eenvoudig meedeelt morgen naar zijn vader te gaan, hoe dan ook. Dan krijgt een zekere Jakob het woord, die Bens halfbroer blijkt te zijn. De vader is hertrouwd en “heeft al een zoon”, Jakob namelijk, en de terugkeer van Ben is volslagen onmogelijk. “Oh boy” roept de man uit als hij Ben voor zich ziet staan. Vanaf dat moment ontwikkelt Ben een tweespalt in zichzelf, een Boy die hij voor de buitenwereld is en een Ben die hij voor zichzelf, in eenzaamheid is.

De vader brengt de jongen naar een internaat aan zee. Daar verblijft Ben bij voorkeur, als hij vrij heeft, in een door hem in de duinen aangetroffen bunker, waarin het even erg stinkt als in de kelder van het huis in Moorgat. Ben plaatst zichzelf masochistisch in het centrum van de stank “en vindt het daar uit te houden. Het doet hem denken aan verhalen over de kolom windstilte die zich in het midden van een orkaan zou bevinden, er waren schepen die met slappe zeilen door een wervelstorm van het ene continent naar het andere verplaatst werden”. Het eindigt met Bens besluit: “Je zult niet meer groeien, jongen, daar stoppen we mooi mee, je blijft wat je bent.”

Het bijzondere van 'Weg van de pijn' zit in de grote hoeveelheid buitengewoon subtiele overwegingen, in een taal die wel voortdurend lijkt te willen verraden. Het is een manier van schrijven die met recht explorerend kan worden genoemd; de zinnen zijn op zoek naar iets dat zich maar moeilijk of zelfs niet laat formuleren. De tocht is, ook als omweg, in feite gericht op de vroege jeugd, de vader, het paradijs, maar het lukt niet die te bereiken. Ook de zinnen proberen in de buurt van dat onbereikbare te komen. Vandaar dat Vogelaar eindigt met een motto achteraf, van Heinrich von Kleist uit 'Das Marionettenspiel': “Het paradijs is vergrendeld en een oorlogszuchtige engel houdt er de wacht; laten we een reis om de wereld maken en zien of het paradijs aan de achterkant een ingang heeft.” Dat is de inzet van 'Weg van de pijn'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden