ColumnKlassiek & zo

Rebellencollectief Pynarello doet alles anders

Schoenen. Dat is eigenlijk het eerste wat opvalt. Dat komt natuurlijk omdat de orkestleden staand spelen, en dat je in het Muziekgebouw aan ’t IJ dus op ooghoogte van die schoenen zit. En die schoenen verraden dat we hier met een atypisch orkest te maken hebben. Glitterlaarsjes, rode lakschoenen, boots, afgetrapte exemplaren. En boven die schoenen: tijgerprints, een enkele glanzende japon, een loshangend, ongestreken overhemd, een superstrakke stretchbroek. Er staan echte vioolmeisjes tussen met lang blond haar, er zijn hipsterknotjes, maar er is ook een genderfluïde strijker met half weggeschoren haar en een rode rok over zijn maillot. Welkom bij Pynarello.

Geen bladmuziek, geen concertkleding, geen dirigent, geen orkestopstelling

Pynarello doet alles anders. Het rebellencollectief, zoals het zichzelf noemt, speelt klassieke muziek, maar helemaal los van de algemeen aanvaarde orkestpraktijk. Geen bladmuziek, geen concertkleding, geen dirigent, geen orkestopstelling. Maar gewoon door elkaar heen en, op de cellisten na, staand. Gemiddelde leeftijd: beneden de 30 jaar. 

De dynamiek die dat alles oplevert, was geweldig voel- en hoorbaar tijdens Pynarellos’s debuut in het Muziekgebouw. In andere zalen vragen ze na afloop het publiek bij hen op het podium te komen voor een toegift, maar in het Muziekgebouw mocht dat niet. En dus liepen de leden de zaal in om tussen het publiek nog een keer het slot van Dvoráks Negende symfonie te spelen. Als je je al niet opgenomen voelde in Pynarello’s wereld, dan toch nu wel. Die nabijheid zorgt voor inclusiviteit, het gevoel dat ze voor jou spelen.

Indianen en cowboys

Dvoráks overbekende muziek werd met aanstekelijk plezier gespeeld. En bij die wonderschone althobo-solo in het tweede deel stapte de hoboïst gewoon naar voren in het collectief. Tussen deel drie en vier werd een nieuw deel gevoegd, gemaakt door Reinier Baas. Een grote trom en een contrabas hadden daarin een hoofdrol. Filmische muziek was het, in de goede betekenis van het woord. En het paste wonderwel, want wie ziet in het laatste deel van Dvoráks symfonie nou niet indianen en cowboys als in een western door de nieuwe wereld galopperen? Is dit dan de manier om nieuwe mensen de concertzaal in te lokken? Degene die ik had meegenomen is een redelijke leek op dat gebied, maar was verrukt over wat hij had gehoord en gezien.

Nog meer atypische klassiek

Een dag later was in het Concertgebouw ook al zo’n atypisch concert. Die geweldige en avontuurlijke dirigent François-Xavier Roth liet het Concertgebouworkest muziek van Lully, Händel, Rameau, Gluck en Mozart spelen. Dat is best apart, want hoewel in prominente cartouches in de zaal hun namen – gespeld als Lulli en Haendel – in goud geschreven zijn, speelt het orkest hun muziek haast nooit. Roth, die ooit na een uitvoering van Debussy’s ‘La mer’ als toegift zelf ‘La mer’ van Charles Trenet zong, is zo’n man die net als het Pynarello-collectief de concertpraktijk kan en wil opschudden. Hij liet het orkest Lully spelen alsof daar de muzikale keurtroepen van Lodewijk XIV zaten: Les Vingt-quatre Violons du Roi.

Het programma was losjes opgebouwd rondom de mythische Alceste, die haar leven voor haar echtgenoot opoffert. Jammer dat zangeres Anna Prohaska, ingevallen voor een zieke collega, nu ook zelf griep had en abominabel intoneerde. Afgezien daarvan: ik houd van dit soort concerten. Mét een atypische dirigent als Roth. Of gewoon zonder. 

Klassiek & Zo

Peter van der Lint schrijft iedere week met aanstekelijk enthousiasme over de wereld van de klassieke muziek.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden