Review

Protestantse speurtocht naar relieken

Mieke de Kreek, De Kerkschat van het Onze Lieve Vrouwekapittel te Maastricht, uitg. Architectura et natura, Amsterdam, deel 14 in de reeks kunsthistorische monografieën van de stichting Clavis. Prijs: ¿ 59,50 tot 1 januari, daarna ¿ 69,50.

Jarenlang bezig zijn met reliekhouders waarin botjes van heiligen zijn opgeborgen of resten van hun kledingstukken; wie vindt dat aantrekkelijk? Toch heeft Mieke de Kreek zich nauwelijks verveeld tijdens haar promotie-onderzoek. De muffe lucht van veel relieken viel in het niet bij haar speurtocht naar hun achtergronden. Het onderzoek had vaak veel weg van een spannend detectiveverhaal.

Dat gold bijvoorbeeld de herkomst en de datering van het kleed van Sint Lambertus. Lambertus, in de achtste eeuw bisschop van Maastricht, zou volgens de overlevering het zijden gewaad zelf gedragen hebben. Het kon dus wel eens het oudste voorwerp van de kerkschat zijn. De weeftechniek is echter zo apart dat vergelijking met andere kledingstukken niet mogelijk was. Ook het patroon van golvende bladeren, misschien oosters van oorsprong, is uniek. De Kreek heeft van alles gedaan om de waarheid te achterhalen, maar zelfs raadpleging van een Chinese textielexpert in Peking gaf geen uitsluitsel. Daardoor moest ze toch de mogelijkheid openlaten dat het kleed ook wel 12e-eeuws kan zijn, zoals sommigen denken.

Het Lambertuskleed is een van de bijzonderste stukken in de schatkamer. Zo'n vijftig voorwerpen heeft De Kreek bestudeerd. In haar proefschrift komt hun ouderdom, herkomst en historische rol binnen de geschiedenis van het kapittel van Onze Lieve Vrouw uitvoerig aan de orde. Reliekenbeurzen, kruisrelieken, de gordels van Maria en Barbara, alles krijgt aandacht. Ook verdwenen voorwerpen of stukken die elders te vinden zijn, want zoals zo vaak gebeurde, verdween ook hier veel goud- en zilverwerk in de smeltkroes. De Kreek vertelt dat twee goudsmeden in 1795 acht dagen nodig hadden om alle edelmetalen voorwerpen om te smelten, zodat de oorlogsschattingen betaald konden worden.

Het topstuk van de collectie bleef echter wel bewaard, al is het niet meer in Maastricht. Het gaat om het kostbare patriarchaalkruis, een Byzantijns kruis met twee dwarsbalken. Het werd in de 10e of 11e eeuw aan het keizerlijke hof van Constantinopel vervaardigd. In 1204 plunderden kruisvaarders de stad. Het met goud beklede patriarchaalkruis werd door een Maastrichtse geestelijke meegenomen en belandde bij het kapittel van Onze Lieve Vrouw in Maastricht. Sindsdien bezat de kerk een bijzonder kruisreliek. De reliekhouder zou stukjes van het kruis van Christus bevatten.

Sinds 1837 staat het patriarchaalkruis echter in de schatkamer van de Sint Pieter in Rome. Hoe dat kon gebeuren, is iets wat nog steeds iedereen die ermee te maken krijgt, zich afvraagt. Zo ook Mieke de Kreek.

Tijdens haar speurtocht bleken de feiten op geraffineerde wijze verdoezeld. En dat terwijl de namen van de betrokkenen wel bekend zijn. Het wereldje van de r.-k. geestelijkheid wist vele geheimen verborgen te houden, zo moest De Kreek constateren.

De ellende rond het kruis begon met de dreigende opheffing van het kapittel in 1795, nadat de Fransen Maastricht waren binnengetrokken. De kanunniken hadden kort tevoren de kerkschat onderling verdeeld met de bedoeling haar in een veiliger stadium terug te brengen.

Een aantal topstukken, waaronder het patriarchaalkruis, werd in een ijzeren kist gestopt en aan een zekere kanunnik Thomassen toevertrouwd. Vlak voor zijn dood, in 1800, droeg hij de kist over aan een neef. Wat die ermee deed, is onbekend. De kist werd in elk geval omstreeks 1815 opengebroken teruggevonden. Het patriarchaalkruis bleek verdwenen. Pas twintig jaar later kwam het boven water, toen een graaf Van der Vrecken het aan paus Gregorius XVI schonk.

De Kreek ontdekte een tot dan toe onbekende inventarislijst van de kist, maar het document vermeldt geen datum en is niet ondertekend. Dat zal geen toeval zijn, vermoedt ze. De betrokkenen zijn er goed in geslaagd buiten schot te blijven. Pogingen om het kruis van de paus terug te krijgen, mislukten.

Voor De Kreek betekende het dat ze naar Rome moest om het kruis te bestuderen. Daar stootte ze - ondanks alle medewerking die ze in Nederland kreeg - flink haar neus. Gewapend met door hoge kerkelijke gezagsdragers ondertekende papieren en vergezeld van een tolk kreeg ze bij de schatkamer nul op rekest, toen ze vroeg of het kruis onder de glazen stolp vandaan gehaald mocht worden. De hiërarchie binnen de Romeinse cleresie bleek een onneembare hindernis. Vriendelijk maar beslist weigerde een oude kanunnik bij de schatkamer van Sint Pieter zijn toestemming. En zo moest De Kreek knarsetandend het kruis door de stolp heen bestuderen, waar ze ook nog ontdekte dat het erbij gehangen bordje niets over de herkomst uit Maastricht meldde. Er stond alleen maar dat paus Gregorius XVI het geschonken had . . .

Niet alleen rondom het patriarchaalkruis speelden zich gekke dingen af. Ook met het Lambertuskleed gebeurde in de 19de eeuw iets raars. Een op textiel beluste kanunnik zette er de schaar in. Naderhand knipte hij het door hem meegenomen lapje in tweeën en verkocht het aan musea in Wenen en Lyon.

Mieke de Kreek verbaast er zich niet meer zo over, ze is eraan gewend geraakt. Maar waar ze beslist niet aan gewend wil raken, is de protestantse benaderingswijze om de reliekenverering alleen maar als 'roomse poppenkast' te zien. Natuurlijk vallen er kanttekeningen bij te maken: een lapje dat voor de gordel van Maria moet doorgaan, maar dat duidelijk middeleeuws is, kun je makkelijk belachelijk maken. Hetzelfde geldt voor de talloze stukjes die allemaal van het kruis van Christus afkomstig heten te zijn, en die samen een compleet bos vormen. Al die nuchtere constateringen leiden echter af van de religieuze bedoeling die deze voorwerpen voor de gelovigen hadden en nog hebben.

Voor die manier van geloofsbeleving wil ze haar ogen openhouden. Ze geeft toe dat ze dat eerst niet zo deed. Telkens als ze de Onze Lieve Vrouwebasiliek binnenstapte, liep ze kordaat door de kerk naar de schatkamer. Zich bewust van haar wetenschappelijke taak liep ze daar, totdat ze op een keer in een zijbeuk van de kerk een stokoud, kromgebogen vrouwtje zag, dat moeizaam knielde voor een heiligenbeeld met een reliek erin. De stramheid belette het mensje om het reliekenglas in het beeld te kussen en dus deed ze dat door eerst haar vingers te kussen en die op het glas te drukken.

De Kreek: “Toen ik dat zag, was ik verbijsterd. Ineens realiseerde ik me dat het dáárom ging bij relieken, om dit geloof, dit vertrouwen. In plaats van mijn onmiddellijke gang naar de schatkamer, ging ik in een kerkbank zitten om dit tot me door te laten dringen. Wat ik toen voelde? Nederigheid. Nederigheid en deemoed.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden