Boekrecensie

Precies 200 jaar geleden opgericht en nog altijd fascinerend: heropvoedingskolonie Veenhuizen

Verpleegden aan tafel (uit "Paupers en boeven") Beeld rv

Om en nabij een miljoen Nederlanders hebben voorouders die een deel van hun leven in de Drentse Koloniën van Weldadigheid doorbrachten. 

Toen ik een jaar of tien geleden 'Het pauperparadijs. Een familiegeschiedenis' van Suzanna Jansen las, had ik nog geen idee dat ik zelf deel uitmaakte van dat gezelschap. Over onwelgevallige familiegeschiedenissen wordt minder enthousiast verteld dan over de gloriemomenten.

Mijn betovergrootvader, de opa van mijn oma van vaders kant, kwam onvrijwillig in het Noorden terecht. Het is een klassiek verhaal van hoe snel het in de negentiende eeuw kon gaan: Brabantse banketbakker had zijn zaakjes aardig op orde, maar verloor te jong zijn vrouw en raakte daardoor aan de drank. De autoriteiten gaven hem uiteindelijk een enkeltje Drenthe. Daar was er wel opvang voor de allerarmsten, zwervers en anderen die behoorden tot de onderkant van de samenleving.

Het succes van 'Het pauperparadijs' duurt - terecht - onverminderd voort. Het boek is inmiddels goed voor driehonderdduizend exemplaren en een eveneens succesvolle theaterversie met uitvoeringen van Veenhuizen tot Carré. Dit jaar is het precies 200 jaar geleden dat de eerste heropvoedingsexperimenten in Drenthe begonnen. Dat leidt tot een reeks nieuwe publicaties. Journalist Jan Libbenga probeert in 'Paupers en boeven. 200 jaar strafkolonie Veenhuizen' de hele geschiedenis in één boek te vatten. Saillant detail: de auteur, zoon van een administrateur bij de strafgevangenis, groeide op in Veenhuizen.

Ongepast gedrag

Wil Schackmann schreef al drie keer eerder over de armenopvang in en rond dat dorp ('De bedelaarskolonie', 'De proefkolonie' en 'De kinderkolonie'). In dit jubileumjaar komt hij met 'De strafkolonie. Verzedelijken en beschaven in de koloniën van weldadigheid, 1818-1859' over de strengheid waarmee tegen ongepast gedrag werd opgetreden.

In september verschijnt nog een boek over het leven van de man die aan de basis van de Koloniën stond, 'Johannes van den Bosch (1780-1844), volksverheffer in naam van de Koning'. Biograaf van dienst is cultuur- en pershistoricus Angelie Sens.

Generaal Van den Bosch zag de armoede van Nederland na de Franse tijd en dacht dat de oplossing vooral lag in het aan het werk zetten van de minstbedeelden. Als ze woeste gronden in cultuur brachten, konden met de opbrengsten kost, inwoning en wat onderwijs gefinancierd worden. Op die manier kreeg een samenleving waarin voor de armen buiten kerkelijke liefdadigheid vrijwel niets was geregeld toch een sociaal vangnet. Tijdens hun jaren in de Koloniën kon worden gewerkt aan het 'beschaven' en 'verzedelijken' van de bewoners. Op die manier konden ze wellicht als aangepaste burgers terugkeren in de gewone maatschappij en zouden ze in het vervolg minder risico lopen op een armoedeval.

Gefolterd

De Maatschappij van Weldadigheid, een particuliere organisatie, bracht het geld bij elkaar voor een eerste proefkolonie. Een paar jaar later volgden de definitieve opvangoorden.

De eerste jaren domineerde de euforie over het experiment in Drenthe. De initiatiefnemers droegen daaraan bij. Zij wilden geldschieters niet teleurstellen en liefst nieuw enthousiasme voor giften aanboren. Van den Bosch schreef juichend hoe zijn projecten "duizenden aan de ellende ontrukken. Eerlang hopen wij dit getal tot 10.000 te brengen en bedriegt ons niet alles, dan zal binnen weinige jaren, zeker minder dan tien, niemand onzer landgenooten, gewillig of bekwaam voor den arbeid, of geschikt om hem daarvoor op te leiden, door het gebrek behoeven gefolterd te worden."

Maar al snel kwamen de berichten over financiële problemen bij de exploitatie en over misdragingen van de kolonisten. En was er met zoveel 'paupers' bij elkaar geen sprake van besmettingsgevaar? "Zij bederven elkander en ze troosten elkander in hun leed, met weinig goede raadgevingen", constateerde zelfs een van de eigen directeuren. Een liberaal Kamerlid sprak rond de vorige eeuwwisseling van een 'kweekplaats van luiaards en een broeinest van onzedelijkheid'.

Beducht voor slechte verhalen over de Koloniën en sowieso streng voor de bewoners boog een speciale raad zich over ontsporingen. Stil en onderdanig je lot ondergaan, was het ideaalbeeld. Wie amok veroorzaakte, schold of vocht werd tot de orde geroepen. Lijfstraffen, verwijdering of verbanning naar de strafkolonie behoorden tot de mogelijkheden. Maar de bemoeienis en het bestraffen gingen verder, ver tot achter de voordeuren. De kolonisten hadden weinig te willen. Alcohol was taboe net als het 'aan onbetamelijke begeerte gehoor geven', seks voor het huwelijk. Wie wilde trouwen had toestemming nodig van de heren bestuurders. Voor het verlaten van het terrein was ook permissie nodig.

Strafgevangenis

Met de jaren kregen de Koloniën steeds nieuwe doelgroepen binnen: naast armen onder anderen wezen, alcoholisten en veteranen. Later kreeg een deel herbestemming als strafgevangenis. De rol van het particulier initiatief verminderde in de loop der tijd. Het Rijk nam het meer en meer over. Eigen vergaand tuchtrecht zoals in de eerste jaren had daarmee ook zijn tijd gehad.

Een boek met de kwaliteit van 'Het pauperparadijs', verschenen in 2008, levert de nieuwe oogst publicaties vooralsnog niet op. Jansen verweefde kunstig de geschiedenis van Veenhuizen met die van haar familie, wat resulteerde in een aangrijpend verhaal over de erfelijkheid van armoede, het paternalisme van autoriteiten en de moeite die het kost om naar wat maatschappelijke treetjes hoger te stijgen.

Schackmann licht in zijn boek tal van dossiers, waarmee een keur aan persoonlijke geschiedenissen en institutionele bedilzucht tevoorschijn komt. Maar de auteur, na drie eerdere boeken al goed thuis in de materie, is spaarzaam met het verder informeren van de lezer. Achtergronden, verwevenheid met de grote geschiedenis en het toenmalige denken over armoe, misdaad en straf komen minder uitgebreid aan bod. 'De strafkolonie' is daardoor te veel een bundeling van archiefvondsten.

Libbenga schetst wel goed de grote lijnen. Aardig is zijn aandacht voor ruwweg het laatste kwart van de geschiedenis van Veenhuizen, waarin de lezer onder anderen de latere Drie van Breda, Willem Holleeder, Karate Bob, Richard Klinkhamer en BN'ers als Joop 'Swiebertje' Doderer en André Hazes (de laatste twee vanwege rijden onder invloed) als tijdelijke bewoners tegenkomt. Maar in zijn volledigheidsdrang neemt Libbenga dan weer net wat te weinig ruimte voor de petite histoire die bij Schackmann zo overvloedig aanwezig is.

Jan Libbenga
Paupers en boeven. 200 jaar strafkolonie Veenhuizen
De Kring; 288 blz. € 18,50

Wil Schackman
De strafkolonie. Verzedelijken en beschaven in de koloniën van weldadigheid, 1818-1859
Atlas Contact, 336 blz. 
€21,00

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden