Review

'Praat eens met die hangjongeren'

Roanne van Voorst (1983), journalist en antropologe.

’Ik vond het altijd zo bizar dat in het hele integratiedebat, waarin iedereen de mond vol had over de Marokkanen die iedereen opzadelden met overlast, de hoofdrolspelers zelf nooit aan het woord kwamen. Het waren altijd stereotiepe beelden die ik zag: een Marokkaanse jongen die zijn capuchon over zijn ogen trekt en die ’Rot op!’ zegt. Dan wist ik nog steeds niet waarom hij rondhing, overlast veroorzaakte en niet naar school ging.

Daarnaast verbaasde het me dat het beeld dat kranten en televisiereportages ons voorhouden, zo strijdig was met de inhoud van heel veel saaie rapporten die over integratie zijn verschenen. Als je die leest kun je niet volhouden dat de integratie volkomen is mislukt. De statistieken die veel media gebruiken geven een vertekend beeld van de werkelijkheid. Je moet die vergelijken met die van onze Tokkies, of met mensen uit de lagere milieus uit Urk of Volendam. Die zitten sociaal-economisch in dezelfde positie, maar zijn minder herkenbaar dan Marokkanen.

Uit rapporten blijkt dat het in Nederland helemaal niet slechter gaat dan in bijvoorbeeld de Verenigde Staten, het land waar we vaak naar verwijzen als het grote voorbeeld hoe het zou moeten. Ook daar duurt het drie generaties voordat mensen volledig geïntegreerd zijn, de taal goed spreken, achterstanden hebben ingehaald en de scherpe culturele kantjes er af zijn gesleten.

Op een gegeven moment besloot ik die hoofdrolspelers in ons heftige integratiedebat zelf op te zoeken. Dan liep ik een pleintje op om te praten met hangjongeren, eerst in mijn woonplaats Amsterdam, en later ook in steden als Den Haag, Utrecht en Nijmegen. Ik heb zo’n 100 à 150 jongeren gesproken, de een een paar uur, de meesten een dag of zelfs een paar dagen. Ik ging met ze mee naar hun stageplaats of hun school. Ik heb er veel vrienden op Facebook aan overgehouden. Behalve met Marokkanen, Turken en Antillianen sprak ik ook met minderheden als Chinezen, Polen, Molukkers en Afrikanen.

Ik ontdekte dat het met Molukkers, van generaliseren gesproken, helemaal niet goed gaat. Deze groep vormt voor ons een levend laboratorium. Zij waren de eerste minderheid die zich hier vestigde, daar kunnen we echt van leren. Uit cijfers blijkt dat de derde generatie het slechter doet dan hun ouders. Daar leeft een enorme boosheid, een anti-Nederlands sentiment. We dachten dat dit allemaal wel vanzelf goed zou komen, maar dat is niet zo. Als we niet uitkijken gaat dat met Marokkanen net zo.

Het integratiebeleid vind ik erg ad hoc. We zitten veel te veel op die cultuurlijn, de gedachte dat hun geloof of hun culturele achtergrond de oorzaak is van het probleemgedrag en dat het agressieve gedrag nu eenmaal in hun cultuur zit gebakken. De oplossingen op cultuurgebied, zoals het houden van buurtbarbecues, lijken me niet goed. Die subsidies zijn weggegooid geld. Ik denk dat die jongeren veel meer geholpen zijn met ouderwets sociaal-economisch beleid, gericht op onderwijs en arbeidsmarkt. Heel unsexy, maar wel effectief.

Wat me bij dat onderzoek opviel was dat onze eisen per groep zo verschillend zijn. Chinezen vinden we nog steeds exotisch en enig. We vinden het prima dat zij zo geïsoleerd leven. Ik sprak een lesbisch meisje van Chinese afkomst en die heeft exact dezelfde problemen als een homo-Marokkaan. Crimineel zijn ze ook. Zij doen aan mensenhandel, maar daar hebben we geen last van, dus dat geeft niet. In Amsterdam staan soms op straatborden ook Chinese tekens: vinden we prachtig. Zet op zo’n bord een straatnaam in Arabische tekens en Wilders heeft er weer een paar zetels bij.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden