Schrijverscolumn

Pols moeder is zo’n moeder die zich overal mee bemoeit en daarmee alles in het honderd stuurt

Beeld Olivia Ettema

Vorig weekend bracht ik door in Catalonië omdat een literair festival in La Bisbal d’Empordà mij gevraagd had of ik daar eregast wilde zijn. 

Ik vermoed dat mijn uitgeefster Laura Huerga - die sommige lezers zich wellicht herinneren uit een eerdere column: die slavendrijverachtige Catalaanse die zich lastig omver laat blazen - daarin een flinke vinger in de pap heeft gehad, aangezien ik anderhalve maand geleden weigerde af te reizen voor de presentatie van het boek ‘Juny’. 

La Bisbal bleek een stadje met zo’n 9000 inwoners te zijn. Er leven meer gier- en huiszwaluwen dan mensen. Ik vind dat wel fijn, ik ben niet dol op grote steden. Ik sliep in een boerderij buiten het stadje en hoorde ’s nachts de ezels balken en de honden blaffen. Mijn werkzaamheden zaten er zaterdagavond al op, zondag was ‘vrij’ had Laura gemaild. Dat was het natuurlijk niet, al was er maar één dingetje te doen: een radio-interview met de Catalaanse radio. Maar dan wel om twaalf uur. Bah, zei ik, “dat breekt de hele dag in tweeën.” Ik zou namelijk met mijn persoonlijke assistent Pol op pad gaan op zondag.

Pol was ook de vertaler van dienst. Een jongen van 30 die documentaires maakt en in Barcelona woont, maar hij is geboren in La Bisbal. Pol, zei ik, toen hij me van een treinstation afhaalde, “dat is een Vlaamse naam.” Volgens hem was het ook een typisch Catalaanse naam. “Mijn moeder”, ging ik verder, “heeft eens een Shetlandertje voor de kleinkinderen gekocht en heeft dat Polleke genoemd. Kleine Pol, dus.” Dat vond Pol een geweldig verhaal. Hij reed in een wit autootje van 25 jaar oud en hield erg van kleine wegen, wat daar in Catalonië inhoudt dat hij van stoffige prutpaden met grote keien en diepe kuilen houdt.

Op zondagochtend, vóór het radio-interview, gingen we de bergen in. We reden door een kurkdroog woud vol zuidelijke bomen en struiken omhoog. Het was erg steil en onherbergzaam en Pol vertelde een gruwelverhaal over een bosbrand. En toen hield de auto ermee op. Cotxe mort, zei Pol. Nou ja, vond ik, er zit weinig anders op dan naar beneden lopen. Er kwam rook onder de motorkap vandaan. Ik zag vlammen voor me en ik zag mezelf en Pol keihard rennen om die vlammen voor te blijven. “Mooie boel, Pol”, zei ik, nadat we een kwartiertje hadden gelopen. “Ik ben wel de eregast van La Bisbal en nu loop ik hier op mijn dure, leren schoenen in 30 graden op een stoffig pad. En het is allemaal jouw schuld.” Daar moest hij hard om lachen. Nog weer een kwartiertje later reed zijn vader ons tegemoet in zijn fourwheeldrive. We waren gered. “Kijk!” riep Pols vader. “Daar gaan we altijd paddestoelen plukken!”

’s Middags reden we in de auto van Pols moeder Martha - zo’n moeder die zich overal mee bemoeit en daarmee alles in het honderd stuurt - naar de zee. Eerst liet hij me een oeroud vissersdorpje in een baai zien en daarna reden we naar de monding van de rivier de Ter. Omdat ik geen zon meer kon zien, gingen we een biertje drinken op een beschaduwd terras in Torroella de Montgrí. Pol was gestrest: zijn autootje stond nog altijd op die berg. “Ga lekker naar huis, joh”, zei ik. Tot slot trakteerde Laura Huerga - die de hele middag boeken had staan verkopen in een bloedheet standje - me op het kasteelpleintje op een gin-tonic. Er waren verschillende infused gins en ik koos voor de ‘Clitoria’, die een vuile paarse kleur had. “Ik zeg niks”, zei ik. Maar hij smaakte prima.

Gerbrand Bakker schrijft met Franca Treur om beurten een column over lezen, schrijven en het literaire leven. Lees ze hier allemaal terug.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden