Review

Polarisatie en conflicten in den vreemde

Dankzij Nederlandse immigranten groeiden de gereformeerde kerken in Noord-Amerika en Canada in de jaren vijftig als kool. Maar gaandeweg ontstonden er conflicten tussen ’modernen’ en ’traditionelen’. Dat kostte leraar Bert Witvoet uit Toronto in 1969 zijn baan, beschrijft Agnes Amelink in een voorpublicatie uit haar boek ’Gereformeerden overzee’.

In de tweede helft van de jaren 1960 zijn de gereformeerde nieuwkomers goed op toeren gekomen. Gezinnen zijn de schrale jaren te boven, kerken groeien uit hun jasje, scholen en verenigingen floreren. Een elite van enthousiaste, goedopgeleide jongeren geeft de toon aan in de christelijke organisaties. Maar hun idealen om de Canadese samenleving te hervormen naar calvinistisch model zijn omstreden. Binnen de gereformeerde wereld in Noord-Amerika en Canada leidt hun dadendrang tot spanningen. In de omgeving van Toronto komt het rond 1970 tot een uitbarsting.

Het conflict speelt midden in een periode van maatschappelijke onrust. Er zijn rassenrellen in verschillende Amerikaanse steden en in de hele wereld groeit het verzet tegen de oorlog in Vietnam. De polarisatie tussen ’links’ en ’rechts’ die hiermee gepaard gaat, laat de gereformeerde wereld niet ongemoeid. Bert Witvoet, onderdirecteur en leraar Engels aan de Toronto District Christian High School, zit op een zondag met vrouw en kinderen in de kerk wanneer dominee John Byker fel van leer trekt tegen ’die onderwijzer van de christelijke highschool die wereldse romans behandelt’. ’Dat ging over jou, hè?’ zeggen vrienden na afloop van de kerkdienst. Inderdaad. Het botert al enkele jaren niet tussen de predikant en de leraar, maar nu hangt er een uitbarsting in de lucht.

Na herhaald aandringen – hij vindt zichzelf te jong – heeft Witvoet in 1964 een betrekking aanvaard als leraar en onderdirecteur aan de christelijke highschool in Toronto. Eensgezind werken de leerkrachten aan de uitbouw van hun school volgens de calvinistische wereldvisie. Gereformeerde kinderen hebben straks een opdracht in de samenleving; op school worden ze daarop voorbereid. Ze moeten daarom ook weten wat er in de wereld te koop is. Wanneer Bert Witvoet besluit om in 1967-1968 in de hoogste klassen de eigentijdse roman ’The Catcher in the Rye’ te gaan behandelen, gebeurt dat dus niet zonder dat erover nagedacht is. In een stencil dat de cursus begeleidt, geeft hij de volgende overwegingen: „Onze leerlingen moeten beseffen dat de literatuurstudie hen confronteert met het leven. Alleen zo kunnen ze zich zinvol voorbreiden op een leven in dienst van God. Je kunt je er wel voor afschermen, maar veiligheid zal dat niet bieden.”

’The Catcher in de Rye’ van J. D. Salinger beschrijft een paar dagen uit het leven van Holden Caulfield, een puber die weggelopen is van school en de hele wereld nep vindt – behalve zijn zusje Phoebe. Scheldend, rokend en drinkend zwerft hij door New York. Een lief boek, over een rauwe wereld, beschreven in straattaal. Het boek is al zestien jaar oud als Witvoet het gaat lezen met zijn klas, maar dat doet aan het schokeffect niets af. De gereformeerde leerlingen van 17 en 18 jaar schrikken van alle gevloek en het gepraat over seks. Sommigen voelen zich erdoor bezoedeld, maar ze begrijpen dat de auteur een bedoeling heeft met het taalgebruik. Ouders en anderen, onder wie dominee Byker, in de gereformeerde gemeenschap hebben er minder begrip voor en beklagen zich bij het schoolbestuur. Gevolg is dat Witvoet de roman in het volgende schoolseizoen niet meer op het rooster mag zetten. Ook wordt hem zijn onderdirecteurschap ontnomen.

Het is van belang te beseffen dat er hier méér aan de hand is dan een confrontatie tussen een ambitieuze jonge leraar en bekrompen ouders en dito dominees. Al vanaf het moment dat de groepen immigranten zo groot zijn dat ze in elk geval in Canada de gereformeerde kerken domineren, zijn er irritaties. Aanvankelijk ging het nog om wederzijds onbegrip voor zeden en gewoontes – onschuldige ergernisjes eigenlijk. Zo storen oudgedienden zich aan de wijdverbreide Hollandse gewoonte om onmiddellijk na de kerkdienst een sigaret op te steken en aan de luide conversatietoon. Of lachen de verse immigranten om de besmuikte alcoholconsumptie van de ’oude’ Hollanders. Een nieuwkomer zegt: ’Dan namen ze je mee naar de kelder en kwam er achter de verfbussen een flesje wijn tevoorschijn. In de pauze van de mannenvereniging spraken ze over whisky: de een had het in huis voor z’n kiespijn, de ander voor z’n zere knie. Dan zei ik: ik heb het ook, maar gewoon omdat ik het lekker vind.’

Langzaam wordt de kloof wijder en dieper. De ’traditionelen’ zien in alle maatschappelijke betrokkenheid een bedreiging van de rechtzinnigheid en zij zijn bang dat alle inzet van de jongeren voor christelijke organisaties ten koste gaat van de persoonlijke levensheiliging. Zo komen in de maatschappelijk roerige jaren 1960 de nieuwe gestudeerde elite – drijvende krachten van de christelijke organisaties – en de traditionele gereformeerde achterban tegenover elkaar te staan.

Volgens de ’traditionelen’, aangevoerd door dominee Byker, is het duidelijk waar de oorzaak van de problemen moet worden gezocht: in Nederland. De immigranten hebben het fenomeen van de christelijke organisaties geïmporteerd, in hun begrijpelijke streven naar iets vertrouwds in een vreemde omgeving. Daar komt bij, stellen zij, dat de doorsnee-immigrant zo vreemd staat tegenover de Noord-Amerikaanse politiek, de taal, het land en de cultuur dat hij gemakkelijk achter enkele leidersfiguren aanloopt, ’ook al zijn die leiders niet in alle opzichten los van de cultuur van hun moederland’.

De leiding van de christelijke organisaties klaagt op zijn beurt over de preken van Byker. Die zouden ’irrelevant, onsamenhangend, biblicistisch en fundamentalistisch’ zijn. Kinderen worden thuisgehouden van catechisatie omdat Byker een slechte invloed op hen zou hebben.

Ook leraar Bert Witvoet staat tegenover Byker. In 1965 is Witvoet tot ouderling gekozen in Bykers kerk, maar omdat hij het als jonge vader druk heeft met zijn baan aan de school, weigert hij de benoeming te aanvaarden, wat hem op een vermaning komt te staan. De kerkenraad stelt dat de roeping tot het ouderlingschap de hoogst denkbare roeping is, die dus niet kan worden geweigerd. Vanaf dit moment staat Witvoet bekend als ’opstandig’.

Ook op andere plaatsen in de gereformeerde wereld komen tegenstellingen naar buiten. In 1970 is er een rel op de Fraser Valley Christian Highschool in Surrey, British Columbia, omdat de directeur toestemming heeft gegeven voor de vertoning van de rockopera Jesus Christ Superstar. De leerkracht begeleidt de film weliswaar met kritisch commentaar, maar toont voor bepaalde details ook waardering. De ouders komen in opstand: Hoe kan een christelijke onderwijzer een musical prijzen waarin Jezus Christus niet wordt gepresenteerd als de goddelijke Heiland van de mensheid? Zo komt ’de wereld’ in de school!

Het venijn dat hier aan de oppervlakte komt heeft niets te maken met de inbreng van naoorlogse immigranten.Veeleer is het een uiting van spanningen die er van meet af aan geweest zijn tussen een vleugel die het gereformeerde erfgoed tegen de tijdgeest wil bewaken en groeperingen die openstaan voor de veranderingen, zoals die zich in de jaren zestig aandienen. Deze latente tegenstelling heeft in de jaren tussen de twee wereldoorlogen al tot felle controverses geleid, maar is door alle opbouwactiviteiten van de jaren vijftig en zestig op de achtergrond geraakt. Verdwenen is ze niet. De nieuwkomers hebben hooguit voor verdere complicatie van de verhoudingen gezorgd.

In een artikel in de Christian Courier blikt Bert Witvoet in 1999 terug op de roerige episode van dertig jaar eerder. Hij herleest de ’Catcher in the Rye’ en schrikt nu zelf van het taalgebruik. Hoofdpersoon Holden Caulfield strooit kwistig met God en Jezus in het rond. ’Stoorde ik me daar dertig jaar geleden niet aan? Misschien scheelde het dat ik vijf jaar op een fabriek had gewerkt,waar ik aan zulke taal gewend was.’

Toch raakt Witvoet weer geboeid en hij bedenkt dat deze roman eigenlijk niet zo’n gekke keus was. Nog steeds denkt hij dat christenen wat kunnen leren van de ’Catcher’: „Wat er uit springt is de meedogenloze eerlijkheid van de hoofdpersoon en zijn gevoeligheid voor mensen die ’echt’ zijn. Zelf is Holden Caulfield in bijna alle opzichten een mislukkeling, en hij weet het.” In de kantlijn van zijn beduimelde exemplaar van de ’Catcher’ heeft Witvoet nog wat aantekeningen teruggevonden die de thema’s opsommen: de behoefte aan liefde, de zoektocht naar iets buiten zichzelf om in te geloven, het onvermogen van een gevoelig iemand om echt contact te maken, de weerzin tegen het louter materiële en tegen alle vormen van opgeblazenheid, de noodzaak om je naasten te accepteren, ze zelfs lief te hebben ondanks hun gebreken, en tenslotte het feit dat er geen ontsnappen is aan de lelijkheid van de wereld. Zo is de werkelijkheid, zo is het leven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden