Review

Poging tot rehabilitatie David Cohen

,,Een muis in de bek van een leeuw, die de leeuw wijst op de muizentraditie''. Zo karakteriseerde de psychiater Herman Musaph in 1982 de positie van David Cohen (1882-1967) als medevoorzitter van de Joodse Raad.

JAN KUIJK

Die raad was een quasi-officieel bestuursorgaan, door de Duitse bezetters in 1941 in het leven geroepen om voor het oog van de buitenwereld zoiets als Joods 'zelfbestuur' binnen de Nederlandse samenleving tot stand te brengen. In feite was de belangrijkste, zo niet de enige taak van de raad de maatregelen van de bezetter aan de steeds verder in het isolement gedreven Joden door te geven en daarmee deze maatregelen een zekere sanctie te geven. Een duivels spel, want de werkelijkheid achter deze schijn was ook dat daarmee de Joodse elite van ons land medeverantwoordelijk werd gemaakt voor de wegvoering en de liquidatie van de Nederlandse Joden.

Cohen is, merkwaardig genoeg meer dan zijn medevoorzitter, Abraham Asscher, in de naoorlogse geschiedschrijving het boegbeeld van die Joodse Raad geworden en daarmee een pispaal voor velen, die hem bij uitstek als medeverantwoordelijk voor al deze ellende zagen (en zien). Toch werd ook hij, toen hij in Duitse ogen zijn plicht had gedaan en de Joodse Raad kon worden geliquideerd, in 1943 naar Westerbork (en later naar Theresiënstadt) weggevoerd. Daar overleefde hij de oorlog, maar in 1947 werd hij, met Asscher, gearresteerd, beschuldigd van ,,niet te pardonneren medewerking aan de vijand, waardoor de Joodse deportatie in belangrijke mate werd vergemakkelijkt'', zoals de procureur-fiscaal bij het bijzonder gerechtshof het toen formuleerde. Van een rechtszitting is het niet gekomen. In 1951 werd van strafvervolging afgezien 'op gronden aan het algemeen belang ontleend', maar ook een buiten de rechtszaal gegeven oordeel kan hard aankomen.

Van de geschiedschrijvers over deze periode heeft eigenlijk alleen Abel Herzberg geprobeerd begrip op te roepen voor de geweldige dilemma's, waarvoor Cohen in de oorlog was gesteld, maar een echt forse inhaalpoging tot rehabilitatie onderneemt nu de Leidse classicus Piet Schrijvers in 'Rome Athene Jeruzalem - leven en werken van prof.dr. David Cohen'. Schrijvers zelf noemt zich 'als classicus een kleinzoon van Cohen' (Schrijvers' leraar op het Amsterdamse Ignatius-college was een leerling van Cohen) en daarmee is de toon van het boek gezet, ook al wordt Schrijvers niet moe te wijzen op Cohens arrogantie en ijdelheid - dat laatste als sleutel voor zijn falen.

Met het noemen van de drie plaatsnamen in de titel geeft Schrijvers ook zijn programma. De nadruk ligt op Cohens werkzaamheden als classicus en zionist; als man ook die van meet af aan in de gaten had wat de Joden in Oost-Europa moesten dulden (als gymnasiast stond hij al op het station in Deventer thee te schenken als daar de trein stilstond met Joodse vluchtelingen, op weg naar de Verenigde Staten).

De dramatische jaren van de Joodse Raad en de gevolgen vormen hooguit een derde van het boek, hoewel Schrijvers, een strikte chronologie volgend, voortdurend en op de meest onverwachte ogenblikken naar die laatste jaren verwijst. Omdat bovendien de polemiek (soms op een wat naïeve wijze) niet geschuwd wordt, krijgt het boek een wat onevenwichtig en hier en daar vreemd karakter.

Het is bovendien een wat onhandig geschreven boek, ook al omdat er zo uitvoerig en uitbundig uit allerlei officiële stukken wordt geciteerd. Ronduit lachwekkend is het als de schrijver ons letterlijk meeneemt tijdens zijn onderzoek, waarbij ons niet wordt onthouden dat er ook koffie geschonken is.

Scepsis in overvloed dus, maar dat doet overigens aan de verdiensten niet af, al was het alleen maar omdat Schrijvers in het archief een 'Pro Domo' een uitvoerige zelfverdediging van Cohen heeft gevonden, die hier nu voor de eerste maal wordt gepubliceerd. Als zoveel in dit boek is opnieuw de vraag of het stuk niet gelezen kan (en moet) worden als een oordeel dat zich tegen Cohen richt. Als Cohen zichzelf vergelijkt met de generaal die in de veldslag moet kiezen wie in de eerste linies zal staan, waarbij de generaal natuurlijk de besten zolang mogelijk probeert te sparen (Cohen moest voor de Duitsers kiezen wie kon worden weggevoerd - ook hij hield de besten het langst achter 'om na de oorlog meteen weer een joods leven op te bouwen') dan is er niet alleen sprake van arrogantie.

Evenzeer is er sprake van een grenzeloze naïviteit bij een man die op grond van zijn ervaring en kennis toch op z'n minst kon vermoeden wat er aan de hand was en dat er op terugkeer van de weggevoerden weinig kans was, want Schrijvers maakt ons immers ook duidelijk dat Cohen het met de waarheid niet zo nauw nam (het 'pragmatisch waarheidsbegrip' van de bestuurders hanteerde) toen hij na de oorlog plechtig verklaarde eerst in april 1945 gehoord te hebben van de afschuwelijke waarheid over vernietigingskampen.

Is deze 'forse inhaalpoging tot Cohens rehabilitatie' geslaagd? Zou, om het anders te stellen, Cohen zelf er blij mee geweest zijn? Al lezend heb ik in elk geval dikwijls aan het Engelse spreekwoord moeten denken: God defend me from my friends; from my enemies I can defend myself.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden