Review

Podiumtijgerin dicht kuis en bedeesd

Tjitske Jansen: dichteres, debutante. Schrijfster van de bundel 'Het moest maar eens gaan sneeuwen', waarin lieftallige, vaak kwetsbare en een enkele keer ronduit drakerige parlando-gedichten staan in diverse stadia van geluktheid danwel misluktheid.

Het motto van Sylvia Plath voorin kan ik niet goed plaatsen. Jansens poëzie is werkelijk in niets te vergelijken met die van Plath, dus wat je daarmee moet? Hoewel de bundel begint met een onvervalste haiku en ook enkele prozagedichten bevat, is het merendeel van de verzen toch vrij traditioneel, strofisch opgezet. Weinig nieuws onder de zon. Ik zou deze gedichten, rijp zowel als groen, als bedeesd willen kwalificeren. Neem alleen al het motto -van Jansen zelf of een ander, dat weet ik niet- boven een van de gedichten: ,,Ik kijk zo graag./Ik weet raad met wat ik zie./Totdat er teruggekeken wordt''. Jansen, zeker niet onintelligent, ze weet inderdaad raad met wat ze ziet, kijkt graag maar wordt zelf niet graag op haar vingers gekeken. Dan weet ze zich geen raad meer.

En nu komt het vreemde. Na een paar minuutjes rondstruinen op internet op zoek naar wat informatie over deze debutante, kom je opeens in een heel zelfbewust literair cirkeltje terecht. Dat van het Groningse literaire E-zine Epibreren bijvoorbeeld, waar de geest van lightverse-dichter en bloemlezer Ruben van Gogh rondwaart. En die stellen de maakster van deze bedeesde poëzie voor als een van de koninginnen onder de zogenaamde stand up poets, een podiumtijgerin die op menige poetry slam (woelige voordrachtwedstrijden met het joelend publiek als jury) heeft geschitterd. Nog niet één bundel gepubliceerd maar al overal opgetreden: De Nachten (Antwerpen), De Nacht (Utrecht), Poëziemarathon (Groningen), Paradiso (Amsterdam), Lowlands, Poetry International... Een imposante lijst, waarbij niet onvermeld mag blijven dat Jansen de maandelijkse Poëzieslag in eetcafé Festina Lente in Amsterdam éénmaal op haar naam heeft gebracht. In één moeite door citeert Epibreren enkele ongenoemde 'collega's' over haar poëzie: 'erg lichamelijk', 'spannend', 'brutaal'...

Dat laatste was me na aandachtige lezing van haar bundel niet opgevallen. Wonderlijk. Geestverwante collega's zien in haar poëzie eigenschappen die die poëzie absoluut niet heeft. Komt dit doordat podiumpoëzie het in het theater of eetcafé altijd beter doet dan simpelweg op papier? Het lijkt me sterk. Want deze poëzie is helemaal niet lichamelijk, spannend of brutaal. Dat fantaseren die collega's er maar gewoon bij. Deze poëzie is bedeesd, soms sympathiek, soms onhandig en een enkele keer wel mooi.

Brutaal? Enkele regels uit een titelloos gedicht doen anders vermoeden: ,,Als liefde een kwestie van blijven is // kan iemand me dan komen zeggen / dat ik blijf? Op zo'n manier dat ik luister? / Zoals ik luisterde naar mijn vader en moeder / die zeiden dat ik moest gaan slapen?'' Niks brutaal, veeleer afhankelijk, hulpeloos en ondanks lichte ironie irritant gehoorzaam.

Spannend? In 'Hester' komt de ik-figuur, Hesters tante of een vriendin des huizes o.i.d., de peuter opzoeken, speelt met haar en raakt ontroerd door Hesters grappige zinnetjes als: ,,Wat is het nacht hè'' en: ,,Als je in slaap valt / hoe val je dan?'' Ja, die kleintjes kunnen het soms wonderbaarlijk leuk zeggen. De poëtische verbeelding ervan is echter zelden spannend.

Erg lichamelijk? Niets van gemerkt! Voor een moderne dichteres is deze poëzie juist uitgespoken ónlichamelijk, op het kuise af, al weet ik natuurlijk niet in welk pakje Tjitske Jansen optreedt op die poetry slams. Heeft de ik-figuur eindelijk een jongen in bed, dan lees je: ,,En dan / ligt de leukste jongen van de avond naast je. / Geen camera kan een foto maken van wat je nu ziet. / Zo totaal dichtbij is hij nu ook bij mij vraag je je af''. Toegegeven: de suggestie is er wel, maar de woorden houden de lichaamsdelen -welke ook- goed verborgen. Het meest lichamelijke gedicht, en zeker niet het slechtste uit de bundel, is 'Voor zijn verjaardag':

,,Ik weet de kleur waar hij het liefst op loopt

Ik weet de kleur die hij bij voorkeur draagt

Maar lopen is niet hetzelfde als slapen

en dragen niet hetzelfde als wakker worden.

Ik heb hem dus gevraagd: in welke kleur wil jij het liefste

slapen, in welke kleur wil jij het liefste wakker worden

In de kleur van jouw ogen, zei hij, in de kleur van jouw huid.

Ik heb er niet naar gezocht. Ik wist ook zonder zoeken wel

dat er geen winkel bestaat die dekbedovertrekken verkoopt

in die kleuren. Er zit niets anders op. Ik moet voor altijd

bij hem slapen.''

Nou, is dat lichamelijk of niet? En toch: wat blijven we netjes in de plooi en onder de dekens! Ogen, huid..., dat is het. Wel een aardig, aan het slot grappig gedicht eigenlijk, zij het ook poezelig romantisch en qua interpunctie ergerniswekkend inconsequent. Krijg je hiermee bij die 'Poëzieslagen' in het café nou het aangeschoten publiek omver?

Er staan een paar goede gedichten in deze bundel. Over een kastanje, net uit zijn stekelig omhulsel, die liever mooi opgepoetst in een doosje ligt dan dat hij moet wortelen, groeien, en veranderen. Over Joseph Beuys en het voor de tweede keer geboren worden. Over de sneeuwkoningin uit Andersens sprookje, die Kai een bevroren en eeuwigdurend paradijs aanbiedt, wat de jongen uiteraard weigert. En nog zo wat. Geen slecht debuut derhalve. Evenmin een goed debuut. Wel een debuut, als je het gewauwel in het poëziewereldje eromheen serieus neemt, met een imagoprobleem. Ik raad Jansen aan: bijt je niet té vast in voordrachtwedstrijden. Haar oude en wijze collega L.Th.Lehmann schreef het al: dichten is geen voetbalcompetitie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden