Review

Ploeg, bril en stijgbeugel

In tegenstelling tot het cliché deden Middeleeuwers wel degelijk belangrijke technologische en wetenschappelijke ontdekkingen. Nieuw is die vaststelling niet, maar historicus James Hannam schrijft er zeer smakelijk over.

De donkere Middeleeuwen zijn nooit zo donker geweest als tijdens de Verlichting. Volgens Voltaire verborg de Rede, samen met haar dochter de Waarheid, zich tijdens de Middeleeuwen in een put, om pas in de tijd van de Verlichting, Voltaire’s eigen tijd, er weer uit te komen.

Daar is wel wat van blijven hangen: met ’middeleeuws’ wordt vaak nog steeds achterlijk of wreed bedoeld. Sommige mythen hebben een lang leven, bijvoorbeeld dat de middeleeuwers dachten dat de aarde plat was. Omdat de Kerk in de Middeleeuwen zo dominant was, zou er voor wetenschappelijke ontwikkeling geen ruimte zijn geweest.

In ’Gods filosofen’ wil James Hannam duidelijk maken dat er in de Middeleeuwen wel degelijk belangwekkende technologische en wetenschappelijke ontwikkeling is geweest, en dat het middeleeuwse geloof die wetenschappelijke ontwikkeling weinig in de weg legde en zelfs wel stimuleerde, omdat het Gods orde was die in de natuur werd bewonderd en onderzocht. Zo werd in de vroege Middeleeuwen de stijgbeugel uitgevonden (waardoor een ruiter veel steviger te paard zat, met onmiskenbare militaire voordelen); de ploeg en de disselboom vergrootten de opbrengst van het agrarisch bedrijf. En in de late Middeleeuwen zagen de mechanische klok, de bril en de boekdrukkunst het licht.

De meeste aandacht van Hannam gaat uit naar wetenschappelijke ontwikkelingen, waarbij een hoofdrol is weggelegd voor de Merton Calculators (veertiende eeuw) en Johannes Buridanus (circa 1300-1361). De eersten waren een groep onderzoekers aan het Merton College van de universiteit van Oxford, die de wiskunde gebruikten om een natuurkundig verschijnsel als val of beweging te kunnen begrijpen. Een van die onderzoekers paste daarbij al een speciale functie toe die veel wegheeft van wat later een logaritme heette. Buridanus was werkzaam aan de universiteit van Parijs en hield zich onder andere bezig met het impetus-begrip: de kracht die wordt meegegeven aan een object in beweging. Een briljante leerling van Buridanus, Nikolaas van Oresme (ca. 1325 – 1382), bracht beweging in beeld door die grafisch voor te stellen.

Als je deze ontwikkelingen bij elkaar neemt en weet hoezeer de moderne wetenschap van Galilei tot Newton wordt gekenmerkt door bewegingsleer en wordt gedragen door de vereniging van wiskunde en natuurwetenschap, dan wordt begrijpelijk dat Hannam zoveel betekenis toeschrijft aan de middeleeuwse basis daarvan. Wat de wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw wordt genoemd, ’een bevooroordeeld historisch etiket’, schraagt volgens Hannam enkel de verkeerde gedachtegang dat er vóór Galilei of Copernicus niets is gebeurd dat van wetenschappelijke waarde zou zijn geweest.

Hannam maakt veel werk van Galilei, omdat in deze natuurwetenschapper zoveel eerdere middeleeuwse ontwikkelingen bij elkaar komen. Bekend is diens studie van valsnelheid. Aristoteles had beweerd dat zwaardere objecten sneller zouden vallen dan minder zware. Galilei zou verschillende kanonskogels van de scheve toren van Pisa naar beneden hebben laten vallen met als resultaat dat ze tegelijkertijd de grond raakten. Waarschijnlijk een apocrief verhaal. Hij experimenteerde wel met kogels die hij van een hellend vlak liet rollen. Als je het op papier uittekent krijg je bijna een grafische voorstelling. En als je de grafische voorstelling die Galilei daadwerkelijk produceerde naast die van Nikolaas van Oresme legt, die zie je de middeleeuwse erflating aan de moderne wetenschap.

Overigens was Galilei niet de enige die met valsnelheden experimenteerde. Zie het volgende citaat: „Laten we (zoals de zeer geleerde heer Jan Cornets de Groot, zeer ijverig onderzoeker van de geheimen van de natuur, en ikzelf hebben gedaan) twee lodenbollen nemen, de ene tien keer zo groot en zo zwaar als de andere, en ze samen van een hoogte van negen meter laten vallen op een plank” Het hoorbare resultaat was dat ze tegelijkertijd op de plank vielen. Die Jan Cornets de Groot was de vader van Hugo, en Jan Cornets medeonderzoeker is ook niet onbekend gebleven: Simon Stevin.

Het boek van Hannam is in de Angelsaksische pers enorm geprezen. En toegegeven, hij heeft een zeer leesbaar boek geschreven. Van de celibataire monnik Abélard (1079– 1142), die een beroemd (of berucht) geworden relatie had met Héloïse, citeert hij: „Mijn handen dwaalden vaker over haar boezem dan over de bladzijden.” Dat leest wel lekker. En voor het grote publiek is het ook nodig de miskende waarde van de Middeleeuwen weer op de kaart te zetten. Maar om nu te zeggen dat Hannam’s boek een ’openbaring’ is, zoals de jury van de Royal Society 2010 Prize for Science Books deed, onderschat het werk dat lang voor Hannam al op dit gebied werd verricht.

In 1950 schreef Dijksterhuis in diens klassiek geworden ’De mechanisering van het wereldbeeld’, dat de Middeleeuwen nergens dichter de natuurkunde van de zestiende en zeventiende eeuw zijn genaderd dan in het werk van onder anderen Buridanus en Oresme. Dijksterhuis vestigt ook de aandacht op de veertiende-eeuwse vereniging van wis- en natuurkunde en verwijst daarbij naar de Merton Calculators. Dijksterhuis’ boek is onder meer in het Engels vertaald, maar ontbreekt op Hannams literatuurlijst.

Dat neemt niet weg dat ’Gods filosofen’ het brede publiek veel heeft te vertellen. Maar de duisternis was door vroeger onderzoek eerder boven de donkere Middeleeuwen weggetrokken dan nu Hannam zijn licht laat schijnen in de put waarin volgens Voltaire de Rede en de Waarheid zich hadden verborgen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden