Review

Plato's vergeefse reizen naar Syracuse

Plato moet vol verwachting zijn geweest tijdens de bootreis van zijn woonplaats Athene naar Syracuse. Hij was persoonlijk uitgenodigd door de nieuwe heerser van Sicilië, Dionysius, op aandringen van diens oom Dio.

Lang geleden was Plato, tijdens een eerdere reis naar Sicilië, met deze Dio bevriend geraakt. In lange gesprekken had hij hem onderwezen in zijn filosofie, en vooral in zijn gedachten over de juiste politieke inrichting van een samenleving. Nu Dionysius na de dood van zijn vader de macht had gekregen, vond zijn oom, intussen zelf een zeer invloedrijk man geworden, dat de tijd rijp was voor een poging Plato's denkbeelden op Sicilië in praktijk te brengen. Dionysius was nog jong en plooibaar, had Dio naar Athene geschreven, en gaf blijk van een grote belangstelling voor de wijsbegeerte.

Plato had wel getwijfeld voor hij de lange reis ondernam. Hij vroeg zich of die wijsgerige belangstelling wel waarachtig was en zou voortduren, wispelturig als jonge mensen nu eenmaal zijn. Bovendien was Dionysius hoe dan ook een alleenheerser, en de alleenheerschappij -de tirannie- was een staatsvorm die, schreef Plato zelf, ,,duidelijk niet paste bij mijn overtuiging en bij mijn persoon'.

In het politiek-filosofische boek dat hij in de tijd tussen zijn twee bezoeken aan Sicilië had geschreven, 'De Staat', had hij de tirannie zelfs de ergst mogelijke staatsvorm genoemd, nog erger dan de democratie.

In dat boek had hij ook zijn beroemde gedachte van de staatsman-filosoof ontvouwd: in de ideale staat moeten de leiders tevens filosofen zijn, en wel filosofen die zijn grootgebracht met Plato's eigen leer. Die leer behelst dat de hele zintuiglijk waarneembare natuur is gemodelleerd naar ideale patronen of 'ideeën', en dat dit ook zou moeten gelden voor de inrichting van een staat, waarin de idee van rechtvaardigheid centraal moet staan.

Nu hem persoonlijk de kans werd geboden dit ideaal te helpen verwerkelijken, kon hij niet weigeren zonder van lafheid of zwakheid te worden beschuldigd. ,,Want door maar één man voor mijn plannen te winnen zou ik definitief alles wat ik van belang vind, gerealiseerd kunnen zien.'

De citaten stammen uit Plato's 'Zevende brief', die nu is verschenen in een vertaling van de onlangs overleden filosoof-classicus Cornelis Verhoeven. Als deze lange brief authentiek is, zoals tegenwoordig vrijwel algemeen wordt aangenomen, vormt hij een uniek autobiografisch document, waarin Plato met soms pijnlijke precisie beschrijft hoe zijn aanvankelijke hoop gaandeweg de bodem werd ingeslagen.

Al bij aankomst in Syracuse bleek het mis te gaan. Aan het hof van Dionysius gingen geruchten dat Dio zelf uit was op alleenheerschappij, en na een paar maanden hechtte de tiran daar zo veel geloof aan dat hij zijn oom het land uitzette. Plato voelde zich vanwege zijn nauwe band met Dio niet meer op zijn gemak, en bleef alleen omdat Dionysius hem dat verzocht, en verzoeken van dictators zijn nu eenmaal niet vrij van dwang, merkt hij fijntjes op. Maar hij moet toegeven dat Dionysius hem vriendelijk bleef bejegenen, en zich zelfs als rivaal van Dio beschouwde in de vriendschap met de filosoof. Tot de wijsgerige verwantschap waar Plato zelf op uit was, kwam het echter niet. De tiran kwam geen enkele keer naar zijn colleges luisteren. Uiteindelijk keerde Plato, gedesillusioneerd, terug naar Athene, waar hij weer ging doceren aan zijn beroemde Academie.

Toch liet hij zich een paar jaar later overhalen nogmaals naar Sicilië te reizen. In Athene werd hem verteld dat Dionysius een ongelooflijke vooruitgang in de wijsbegeerte had geboekt. De heerser zelf stuurde een luxe drieriemer om hem op te halen. Plato zwichtte, maar kwam wederom bedrogen uit. Hij kreeg maar één keer de kans om Dionysius te onderrichten in de beginselen van zijn filosofie, wat natuurlijk veel te weinig was. Bovendien deed de tiran zeer ten onrechte alsof hij alles al lang wist.

Plato geeft in dit verband een korte uitweiding over wat ware filosofie volgens hem behelst. Deze intrigerende passage heeft, samen met enkele verwijzingen van latere filosofen, in de vorige eeuw tot uitvoerige discussies geleid over het bestaan van een ongeschreven leer, die Plato voor het grote publiek geheim zou hebben willen houden. Geerten Meijsing heeft er een ingenieuze roman aan gewijd, 'De ongeschreven leer'. In zijn uitvoerige nawoord bij de 'Zevende brief' gaat Ben Schomakers vooral in op dit wijsgerige intermezzo, en rekent hij af met de al te wilde speculaties over wat deze leer zou kunnen hebben ingehouden.

Van de goede bedoelingen van Dio bleef Plato altijd overtuigd, een beetje naïef misschien, want zijn vriend raakte verwikkeld in een ordinaire machtsstrijd met Dionysius, die pas eindigde toen hij werd vermoord. De reeds bejaarde Plato schreef zijn brief na Dio's dood, en richtte zich tot diens politieke vrienden, hoewel dat ook een literaire kunstgreep kan zijn geweest. In ieder geval is zijn brief over zijn reizen, zijn 'zinloze reizen', een boeiend verslag van de botsing tussen theorie en praktijk, tussen een studeerkamerideaal en de alledaagse werkelijkheid van machtsspelletjes, achterdocht en persoonlijke rancune. Niet toevallig heeft Plato in zijn laatste politiek-filosofische verhandeling, 'De wetten', de figuur van de wijze staatsman-filosoof achterwege gelaten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden