Plastische charme op vierkante centimeter

Het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden toont 180 kunst- en gebruiksvoorwerpen van terracotta, oftewel gebakken aarde.

Een dwerghaantje op twee wieltjes en met een oog waar doorheen een koordje gelegd kan worden om het beestje voort te trekken, het is een van de meest aandoenlijke voorwerpen op een rijke presentatie van terracotta beelden in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Het nietige stukje speelgoed van wat letterlijk gebakken aarde betekent, dateert uit de derde eeuw voor Christus. Daarmee is het dus bijna 24 eeuwen oud. Voor de stelling dat uitingen van de kindertijd van alle tijden zijn, is daarmee opnieuw een actueel bewijs gevonden.

Terracotta beeldjes (de verkleinvorm duidt op het formaat en niet op de kwaliteit) uit de Oudheid zijn in het Rijksmuseum van Oudheden geen zeldzame objecten. Het Leidse museum bezit er vele honderden van, ook al omdat het voorwerpen zijn die in een enorm verspreidingsgebied in grote oplagen moeten zijn gemaakt. Deze kunst uit de tijd van de Antieken manifesteerde zich niet alleen in Rome en Griekenland, maar ook in Egypte en Klein-Azië. Waarschijnlijk werd gebakken klei nog voor onze jaartelling in veel meer streken (denk aan Mesopotamië, Iran en Colchis) voor geminiaturiseerde objecten gebruikt. Dan kom je wel in gebieden waar het RMO minder aandacht voor heeft.

Op basis van hun materiële verschijningsvorm heeft het museum nu een keus uit zijn eigen bezit gemaakt van zo’n 180 sculptuurtjes. Die zijn allemaal in figuratieve stijl gemaakt, dat wil zeggen dat hun vorm herkenbaar is, maar hun functie en of toepassing zijn lang niet altijd duidelijk. Aan het haantje zie je duidelijk af dat het een stukje speelgoed is, maar andere beeldjes hebben waarschijnlijk gediend voor een lokale huiscultus, waren geschenken voor de goden of zijn misschien grafgiften geweest.

Gezien het geringe en weinig ’koninklijke’ formaat, moeten ze hun weg hebben gevonden naar de gewone man die zich ook in de Oudheid, een esthetisch verzorgd ’hebbedingetje’ kon permitteren. Koningen, keizers, farao’s of andere vorsten en edelen lieten zich graag op levensgroot formaat of nog groter vereeuwigen en dan niet in een weinig duurzaam materiaal als klei. Bovendien, materiaal, vorm en betekenis van deze charmante beeldjes wijzen erop dat ze vooral voor individueel, persoonlijk gebruik waren.

Klei is in alle tijden een goedkoop materiaal geweest, dat in waterrijke gebieden zonder de inzet van veel arbeidskracht gewonnen kon worden. Zeker in vergelijking met brons en al helemaal met goud of zilver moet klei in de tijd van de Antieken spotgoedkoop zijn geweest.

Ook het stookproces was weinig gecompliceerd: deze roodbakkende klei verdroeg alleen relatief lage temperaturen. Het gaat bij deze beeldjes bovendien om een ruw materiaal dat alleen met geringe middelen als een fijnere klei op een hoger niveau gebracht werd. Door die verfijnde klei kon ook weer de mate van plasticiteit worden opgevoerd.

Bij alle beperkingen die de pottenbakkers zich moesten opleggen, was het bereiken van de grootst mogelijke plasticiteit het voornaamste streven. Was die eenmaal verkregen, dan kon het betrokken model in grote oplagen worden vervaardigd. Die weg naar massaproductie wordt duidelijk gemaakt aan de hand van mallen die ook door het RMO zijn verzameld. Ook op dat punt is de zeldzaamheidswaarde dus ver te zoeken.

Hoewel terracotta van zichzelf een prachtige rode kleur heeft, was deze tint niet het uitgangspunt voor het uiteindelijke product. Zoals ook met andere beelden in de Oudheid gebeurde, werden sculpturen van bonte kleuren voorzien. Die hebben ongetwijfeld een realistische of een symbolische betekenis gehad. De stelling dat ’terracotta synoniem staat voor een aardse, rode kleur’ is dus van recente datum. In de loop van de tijd zijn vrijwel alle beeldjes hun beschilderingen kwijtgeraakt en kijk je nu alleen nog naar de basiskleur. Die is overigens ook al verweerd en verschoten geraakt. Maar het doet allemaal weinig afbreuk aan de uitdrukkingskracht die in dit geval charme op de vierkante centimeter laat zien.

Dat de betekenis van de toegevoegde kleur er wel degelijk toe doet, bewijst de inbreng van een aantal hedendaagse kunstenaars op de Leidse tentoonstelling . Zij laten zich voor hun moderne keramiek inspireren door de antieke terracotta’s die al dan niet nog sporen van beschildering dragen. De Hongaarse Márta Nagy bijvoorbeeld gaat zo ver dat ze aan haar bont gekleurde box een goudkleurige vogel toevoegt, als eerteken voor de natuur of het milieu ? Alleen voor de Britse Catrin Howell heeft de kleur van terracotta zo veel zeggingskracht dat ze haar diervoorstellingen niet van extra kleurlagen voorziet. Door haar bizarre beesten (dierenkoppen die getransformeerd worden tot bladeren en doornen) in een soort van prehistorische setting te lokaliseren, legt ze wel heel sterk een relatie met de Oudheid.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden