INTERVIEW

Pierre Audi: 'Mijn hart blijft hier, in Amsterdam'

Beeld Martijn Gijsbertsen

Pierre Audi keert voor zijn laatste enscenering bij De Nationale Opera terug naar waar hij mee begon: de pioniers van de Italiaanse opera. Met Stefano Landi's 'La morte d'Orfeo' neemt hij na dertig jaar afscheid als artistiek leider.

"Nee, zelf zing ik nooit", zegt Pierre Audi bijna verontschuldigend. Hij lacht erbij en lijkt wat verlegen te worden bij die vraag. Zijn antwoord komt minder snel en zelfverzekerd dan normaal. Ook voor andere vragen over zingen en zangers neemt hij tijdens het gesprek zijn tijd. 

"In Libanon, waar ik opgroeide, zeurde mijn moeder wel altijd aan mijn hoofd dat ik moest gaan zingen. Ze vond dat ik een mooie stem had en luisterde er kennelijk graag naar. Maar ik heb haar raad niet opgevolgd en heb nooit gezongen. Ik kan het ook niet. Voor zingen moet je een bepaald temperament bezitten, moet je goed zijn in solfège enzo, tonen kunnen treffen. Vooral in dat laatste was ik absoluut verschrikkelijk."

Vreemd dat er met iemand als Audi, die bij De Nationale Opera dertig jaar lang als programmeur en regisseur met zoveel zangers heeft samengewerkt, nog nooit echt gesproken is over zangers en zingen, zijn eigen zangkunsten even daargelaten. Altijd ging het in gesprekken maar over langjarig beleid, over visies op specifieke opera's of over andere, ingewikkelde problemen die bij het leiden van een internationaal operahuis horen. 

Boodschapper van vreugde en verdriet

En toch is het ook bij Audi de zang geweest die hem naar de opera trok. De zingende mens, boodschapper van vreugde en verdriet, van hoop en wanhoop.

"Het gezelschap van La Piccola Scala uit Milaan kwam in Libanon langs voor een voorstelling van Cimarosa's 'Il matrimonio segreto', dat is alles wat er op operagebied in mijn jeugd gebeurde. Maar het maakte enorme indruk. De eerste bas-aria uit die opera, 'Udite, tutti udite', kende ik daarna helemaal, noot voor noot, uit mijn hoofd. Nog steeds. Nee, nooit hardop, het zat allemaal in mijn hoofd."

Een vriendelijke aansporing mag niet baten. Audi zingt niet. Basta. Maar we hebben een aanwijzing dat zijn stem dus die van een bas-bariton is, al vergt het wel enige fantasie om je Audi in deze aria voor te stellen als de quasi verontwaardigde, komieke en haast over zijn woorden struikelende Don Geronimo. Hij vertelt snel verder hoe hij, eenmaal in Londen, werd opgezogen door de opera en andere kunsten die hij in Libanon zo had moeten missen.

Onverzadigbaar

"Ik hield van opera. Ik ging bij wijze van spreken vier keer per week naar een 'La traviata' luisteren. Ik zoog alles in me op, theater, beeldende kunst, muziek. In Londen was zoveel mee te maken en ik was onverzadigbaar. Ik hoorde er Montserrat Caballé en Riccardo Muti, ik zag regies van Luchino Visconti. Er waren in de jaren zeventig in Londen nog niet veel operaregisseurs over wie je kon discussiëren. Al heb ik Wagners 'Der Ring des Nibelungen' (later een van Audi's grootste successen in Amsterdam, red.) in Londen leren kennen in de enscenering van Götz Friedrich.

"De door vernieuwende regisseurs gedomineerde opera-ensceneringen kwamen in Londen pas veel later op gang. Op het Europese vasteland liepen ze daarin ver voorop. Om mijn zucht naar vernieuwing en het onbekende te bevredigen, zocht ik mijn heil vooral in de moderne muziek. Ik heb ooit uren in de Londense regen in de rij gestaan om een uitvoering van Pierre Boulez' 'Répons', door hemzelf gedirigeerd, mee te kunnen maken. Tevergeefs. Er kwamen geen kaarten terug, ik kon er niet in en droop letterlijk af."

Ware koorddansers zijn het

Maar even terug naar de zangkunst. Audi zegt in al die jaren als operabaas geen speciale vriendschappen met zangers te hebben opgebouwd, dat zoiets ook niet wenselijk is, omdat je altijd een zekere professionele afstand moet bewaren. 

"Ik heb een enorme bewondering voor zangers, die een van de moeilijkste beroepen in de wereld beoefenen. Ze moeten al die mensen die zich met hen en hun kunst bemoeien maar kunnen verdragen en van repliek kunnen dienen: dirigenten, regisseurs, kostuumontwerpers, grimeurs, collega's. Allemaal personen die ze niet zelf hebben uitgekozen, met wie ze steeds opnieuw in andere constellaties worden samengebracht. Zangers - ware koorddansers zijn het."

"Ik heb steeds beter leren begrijpen hoeveel moeite het kost om goed te kunnen zingen. Mijn respect voor zangers is enorm gegroeid door met ze te werken. Laatst nog met Stephen Gould die hier in mijn enscenering de rol van Tristan zong. Ik zag hoe hij met zijn onvoorstelbare techniek om de vele valkuilen in de partituur heen zeilde en hoe hij het voor elkaar kreeg om in dit beest van een rol tot aan het eind zuiver te blijven zingen. Artiesten zoals Gould maken dat je nog dieper gaat nadenken over de kunst van het zingen."

De tekst loopt door na de foto.

Beeld Martijn Gijsbertsen

Tussen de Wagner-zang van Tristan en die van Orfeo in Stefano Landi's 'La morte d'Orfeo' (1619) zit niet alleen tweeënhalve, roerige eeuw, maar ook onvoorstelbare ontwikkelingen in esthetiek, vorm en middelen. Met zijn laatste nieuwe enscenering voor DNO keert Audi terug naar de allereerste producties die hij in 1990 hier in Amsterdam regisseerde. Uit Monteverdi's 'Il ritorno d'Ulisse in patria' (1640), de succesvolle eersteling, groeide een heuse Monteverdi-cyclus van een stille, tijdloze schoonheid. En nu onderzoekt Audi dus voor zijn afscheidsstuk opnieuw die eerste decennia van de Italiaanse opera. Dat kan niet anders dan aanvoelen als een full circle.

Egoïst en misbruiker

"Ik wil er niet te veel gewicht aan geven. Dit stuk was nooit gepland als mijn afscheid. Puur toeval. De opera vertelt het tragische verhaal van de dood van Orfeo en gaat verder waar Monteverdi's 'Orfeo' ophoudt. Orfeo komt erin naar voren als een egoïst en een misbruiker, waarmee het verhaal actueel wordt. 

"Het is een opera gemaakt in Rome, en dus erg katholiek. Dat aspect wil ik beslist niet uit de weg gaan, al moet je soms radicale beslissingen nemen om het relevant te maken. Maar het is heel emotioneel als je je Orfeo's moeder Calliope als de Maagd Maria voorstelt en Orfeo zelf als Jezus. Nu ik er zo mee bezig ben had ik het misschien wel willen ensceneren in ons eigen grote theater in plaats van in het kleinere Muziekgebouw aan 't IJ. Ook door de emotie van het afscheid is deze opera groter geworden dan ik vermoed heb.

"Ik werd al op deze opera gewezen in 1995. In datzelfde jaar stelde de zoon van Arnold Schönberg me voor om zijn vaders 'Gurre-Lieder' eens als echte opera te presenteren. Zaadjes die meer dan twintig jaar geleden geplant zijn en die nu haast tegelijkertijd tot volle wasdom komen. Na Landi's opera zal de herneming in april van onze veelgeprezen 'Gurre-Lieder' uit 2014 echt de laatste productie hier als artistiek directeur zijn. Maar ik kom volgend seizoen al terug om het grote Stockhausen-project 'Aus Licht' te ensceneren."

Sinterklaas vieren

Dus weg, maar toch niet helemaal. Of Audi in de toekomst regelmatig als gastregisseur zal terugkeren bij het gezelschap dat hij internationale allure gaf, wil en kan hij niet zeggen. Wel wil hij iets anders kwijt. 

"Na dertig jaar blijft mijn hart hier in Amsterdam. Het is goed om te gaan, en het valt me minder zwaar vanwege mijn kinderen. Ik had nooit gedacht dat ik nog eens vader zou worden, maar dat is dus toch gebeurd. Ze zijn alle twee in Amsterdam geboren, Amsterdammers dus. We vieren met hen Sinterklaas in het theater. Vanwege hen blijven we dan ook in Amsterdam wonen. Het zal mijn uitvalsbasis zijn voor mijn banen in Aix-en-Provence en New York en voor mijn gastdirecties elders. Ik vind het heerlijk om mijn liefde en passie voor opera en kunst op mijn kinderen over te kunnen dragen.

"Het voelt goed om te gaan. Ik heb hier alles kunnen doen wat ik wilde, heb mijn grote meerjarenplannen kunnen realiseren en ik laat een goed gezelschap achter. DNO is financieel in goede conditie en de zaalbezetting is hoog. Men gaf mij de opdracht een visie voor dit gezelschap te ontwikkelen. Uiteindelijk komt het dan aan op teamwork en dat was hier in al die jaren geweldig goed. Het succes van DNO is een collectief succes. Je kunt rustig zeggen dat ik hier in Amsterdam mijn familie gevonden heb. Dat ontroert me werkelijk en ik had nooit kunnen bevroeden toen ik in 1988 begon, dat ik dit nog eens zou zeggen.

Puinruimen

"Wat een andere tijd was het toen. Ik kwam naar Amsterdam in een vliegtuig aangedreven door propellers. Er was geen internet, geen sociale media. Dat laatste is mede mijn geluk geweest. Moet je zien hoe fel en betrokken er de laatste jaren op ons gereageerd wordt op al die blogs en fora van operakenners en -liefhebbers, hoe er wordt geframed, hoe persoonlijk en negatief sommigen steeds maar weer zijn, ook over mij. Als dat er in mijn beginjaren allemaal al geweest zou zijn, dan had ik het beslist niet zo lang volgehouden. 

"De eerste jaren kon ik in redelijke rust puinruimen en opbouwen. De Nationale Opera moest de tijd krijgen om te kunnen wortelen. Wortels, wortels, wortels, dat was het allerbelangrijkste.

"Het eerste jaar in Amsterdam was ik een soort trouble shooter. Vanwege alle traumatische toestanden die Jan van Vlijmen had achtergelaten kwam ik aan andere zaken nauwelijks toe." 

Van Vlijmen liet een groot begrotingstekort achter en genoot door zijn solistische optreden weinig vertrouwen van het personeel.

Audi: "Ik moest het publiek leren kennen, de pers, de orkesten, de dirigenten, de technici. Het was een gespannen en zwaar jaar, waarin ik ook het nodige moest uitvechten met chef-dirigent Hartmut Haenchen. Maar ik wist dat hij de juiste man was en dat ik hem nodig had om van het Nederlands Philharmonisch Orkest een top-ensemble te maken. Door die strijd en de daaruit voortgevloeide buitengewone relatie is onze Wagner-Ring zo'n succes geworden, daar ben ik van overtuigd.

Niet geïntimideerd 

"Ik had het geluk dat ik een onbeschreven blad was. Ik kende Gerard Mortier niet, die in Brussel een revolutie had ontketend met zijn manier van opera-maken. Omdat ik hem niet kende, was ik ook niet geïntimideerd, zoals Van Vlijmen dat wel was geweest. Ik kon Mortier niet imiteren, omdat ik zijn werk niet kende. 

"Maar ik heb mijn taak ook opgevat als het doorzetten van een traditie, met respect voor wat eraan vooraf was gegaan. Ik vind continuïteit, het doorvloeien van een traditie, belangrijk. Zwart-wit is niet interessant, wortels kunnen alleen sterker worden met de mest van voorgaande jaren.

"Hoe het nu zonder mij verder zal gaan? Daarop weet ik heel eerlijk het antwoord niet. Vertrouwen is het belangrijkst in dit werk. Luister naar je medewerkers, in ieders verhaal zit iets bruikbaars. Je moet durven delegeren, mensen vrijheid geven. Als er bij DNO iets verandert, dan zal dat het zijn, de stijl van leiding geven. Maar dat is onvermijdelijk. Ieder mens is anders. En mijn opvolgster, Sophie de Lint, is geen regisseur zoals ik, dat geeft sowieso al een ander perspectief. De nieuwe relatie zal organisch moeten groeien, alleen zo groeien de wortels dieper."

'La morte d'Orfeo' van Stefano Landi gaat morgen in première in het Muziekgebouw aan 't IJ. Schönbergs 'Gurre-Lieder' is vanaf 18 april te zien in Nationale Opera & Ballet. Eind september wordt met een gala officieel afscheid genomen van Pierre Audi.

Lees ook:
Audi's 'Tristan und Isolde' zit vol lichtend donker en duister licht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden