Petra Jongerius en Abdelkader Benali.

InterviewPetra Jongerius en Abdelkader Benali

Petra Jongerius verloor haar zoon. Abdelkader Benali schreef haar verhaal op. ‘Daarin leeft hij voort’

Petra Jongerius en Abdelkader Benali.Beeld Judith Jockel

Hoe moet je verder nadat je kind is verongelukt? Petra Jongerius vroeg Abdelkader Benali om een roman te schrijven over haar zoon Ilias. Die ligt er nu: Paradijsvogel boven de Hoge Woerd. ‘Ik had het gevoel: ik geef me over.’

Iris Pronk

De hoofdpersoon van dit verhaal is dood. Hij heet Ilias en is twaalf jaar geworden. Een stoere jongen, gek op voetbal, net klaar met de brugklas. Op 25 juni 2015 ging hij nog even naar buiten met een vriend, zijn moeder was al aan het koken. Bij het oversteken zag hij de bus niet aankomen. Ilias overleed ter plekke aan zijn verwondingen.

“Op het moment dat ik het hoorde, vloeide het leven uit mijn benen”, vertelt zijn moeder Petra Jongerius. “Ik kon er niet meer op staan. Letterlijk.” Toch moest ze in beweging komen, een begrafenis regelen. Samen met haar man Mohamed el Aghzaoui, de vader van Ilias.

Maar hoe moest ze daarna verder? “Soms kon ik mijn bed niet uitkomen omdat mijn lichaam verstijfd was”, zegt Jongerius. “En als dat toch gelukt was, dacht ik: oké, ik sta nu naast mijn bed, hoe kom ik naar de badkamer?” Alles was doordrenkt van rouw, totdat ze ontdekte dat ze een uur niet aan hem had gedacht. “Daar voelde ik me ook heel erg rot over. Ik had een uur niet aan mijn kind gedacht, hij is pas anderhalf jaar dood.”

Ook al breidden die momenten zich uit, het rouwen bleef zwaar. Jongerius is sociaal werker, ze heeft een baan, een dochter, nog een zoon en een man. “Natuurlijk zijn zij er, maar voor mezelf dacht ik: waarom ben ik op aarde? Ik had echt geen zin meer. Ik vroeg me af hoe ik toch een toekomstperspectief voor mezelf kon creëren én met mijn kind bezig kon zijn.” Ze besloot een boek te schrijven over Ilias, gebaseerd op het rouwdagboek dat ze bijhield sinds zijn overlijden.

Na een half jaar schrijven dacht ze: “Het is niet goed genoeg. Het moet mooi worden. Misschien kan ik het een ander vragen. Toen kwam meteen Abdelkader Benali in me op.”

Nu zit de schrijver naast haar, in de woonkeuken in De Meern. Hij schreef Paradijsvogel boven de Hoge Woerd, op basis van de dagboeken van Jongerius. “Ik moest meteen aan jou denken, omdat ik twintig jaar geleden Bruiloft aan zee had gelezen”, zegt Jongerius. De debuutroman van Benali gaat over een Marokkaans-Nederlandse familie die naar Marokko terugkeert voor een bruiloft. “Ik had toen ook al een relatie met Mohamed, die uit Marokko komt, en jouw boek voelde heel dichtbij. Ik herkende veel uit ons biculturele huwelijk, dingen die ik niet goed met anderen kon delen.”

Toen Jongerius zag dat Benali zou optreden in de Utrechtse stadsschouwburg, trok ze de stoute schoenen aan. Ze schreef een brief en gaf die aan hem toen hij na afloop zat te signeren. “Ik was helemaal zenuwachtig. Ik zei: ‘Beloof dat je ’m leest’.”

Abdelkader, hoe reageerde je op Petra’s brief?

Benali: “Ik voelde meteen: dit is een heel serieuze brief. Ik heb ‘m de volgende dag of die daarna gelezen en ik dacht: bijzonder dat iemand zo emotioneel en inhoudelijk uitlegt waarom ze vindt dat ík hier een boek over moet schrijven.

“Ik krijg wel vaker verzoeken. Dan word ik op straat aangesproken: ‘Hé, schrijver. Jij bent toch die schrijver? Ik heb nog nooit een boek van je gelezen, maar ik heb een verhaal voor je’. Maar als ik dan vraag: ben je bereid om me ook al die dingen te vertellen waarvoor je je schaamt? Dan zeggen ze meteen nee. En dan kan het nooit een boek worden.”

Maar bij Petra was het anders. Wat deed je besluiten om ‘ja’ te zeggen?

Benali: “Petra en ik hebben eerst een keer afgesproken in een café in Amsterdam. Ze had een foto van Ilias bij zich en begon te vertellen. Eigenlijk sloeg ik aan op één ding: ze vertelde dat ze Ilias hadden begraven in een ceremonie waarin alle culturen bij elkaar kwamen. Dankzij Mohamed, hij had de imam de wacht aangezegd en ervoor gezorgd dat er ook bloemen gelegd konden worden.”

Want bloemen horen niet bij het islamitische begrafenisritueel?

Jongerius: “Nee, omdat de ziel vrij moet kunnen reizen, bloemen vormen een hindernis.”

Benali: “Ik dacht meteen: wauw. Mohamed heeft tegen de imam gezegd: mijn dochter wil bloemen, het is mijn kind, mijn begrafenis, ik bepaal. Iedereen is hier welkom. Ik had nooit kunnen bevroeden dat er ergens in Nederland een Marokkaanse man was die zijn naaste begraaft in een islamitische ceremonie, die hij heel graag wil, maar die bij een conflict tussen de wet en de mens, zo radicaal kiest voor de mens. Ik was gefascineerd: wie is die man?”

Heb je vervolgens ook Mohamed ontmoet?

Benali: “Ja dat was de volgende stap, in de zomer van 2018. Mohamed was gaan wrokken, hij was voor een paar maanden alleen naar Marokko gegaan en had zich teruggetrokken in Ksar-el Kebir, de stad waar hij vandaan kwam. Ik was toevallig in Tanger en zei tegen mijn vrouw: ik ga hem opzoeken.

“Ik trof hem in het café op de hoek en het leek alsof zijn ogen voor hem op tafel lagen, alsof hij zijn ogen uit zijn kassen had gehuild, zo verdrietig vond ik hem. Hij was net een stier, een gewonde stier, een stier waarvan de wond nog niet helemaal is geheeld en die ook niet wil dat die heelt.

“Het was heel gek: hij was ook heel vertrouwd voor mij. We hebben allemaal zo’n oom in de familie die altijd verhalen heeft. Van wie je denkt: je had professor moeten zijn. Ik had een hele mooie middag met hem.”

Vond Mohamed het een goed idee, een boek over het verlies van Ilias en jullie rouwproces?

Jongerius: “Ik had het thuis natuurlijk overlegd. Mohamed leest zelf helemaal niet, maar hij zei: ‘Ik vind het goed. Dit is jouw ding.’ Hij wist hoe belangrijk dit boek voor mij was.”

Benali: “Petra is heel open, ik dacht: hij is misschien wel een man die alles voor zich wil houden. Maar dat was niet zo, hij zei: je mag alles opschrijven, de hele wereld mag het weten, ik heb niets te verbergen, dit is wie ik ben, zo is het gegaan.”

Toen kon je aan de slag, Abdelkader. En je mocht het dagboek van Petra lezen.

Benali: “Ja, het was uitgeprint 600 pagina's. Het heeft bijna twee jaar op mijn bureau gelegen, als een soort aanwezigheid. Elke keer als ik mijn werkkamer binnenkwam, zag ik het liggen. Het was moeilijk om te lezen, soms had ik aan één pagina genoeg, daarom heb ik er ook vier jaar over gedaan. Als ik iets las, ontdekte ik wel hoe diep en mooi en rauw het bij vlagen is.”

Jongerius: “Ik vond het spannend, zo'n dagboek is natuurlijk heel persoonlijk, er zat zoveel emotie in. Maar ik had het gevoel: ik vertrouw hem en ik geef me over. Ik neem het risico en er zal wat moois uit voortkomen.”

Dat moois ligt er nu: Paradijsvogel boven de Hoge Woerd. Het is een indringende, poëtische roman; Abdelkader heeft er fictie van gemaakt. Was dat niet lastig voor beiden?

Jongerius: “Abdelkader zei: ik wil het doen, maar ik moet wel mijn verhaal kunnen schrijven, het is niet letterlijk jullie verhaal. Wij moesten bedenken: willen we dit nog wel. Maar ik voelde heel erg aan Abelkader dat hij ruimte nodig had.

“Uiteindelijk hebben we afgesproken dat het boek gaat over een Nederlandse moeder en een Marokkaanse vader en hun kind. En dat kind heet Ilias, dat was voor ons de voorwaarde. Ilias moet voortleven.”

Benali: “Ik wilde voorkomen dat ik in de afgrond van het sentiment zou vallen. Want dat sentiment ligt zo op de loer en ik heb er geen recht op. De roman moest over iets anders gaan: over bi-culturele rouw en twee mensen die proberen iets te maken van een wereld die omver is gevallen. Je moet die worsteling voelen.”

Paradijsvogel boven de Hoge Woerd bevat prachtige metaforen. Zo noemt Sophie, de moeder in de roman, zichzelf een ‘dakloze moeder’ (“Ilias was mijn dak.”) Van wie is dat beeld?

Jongerius: “Dat is echt van hem. Ik vind dat zó mooi omschreven. Ik heb me vaak afgevraagd: hoe geef je woorden aan het verlies. Toen ik dit las, dacht ik: dát is het. Een dakloze moeder.

“In het boek zitten veel scènes die echt zijn gebeurd, maar Abdelkader heeft ze mooier, rijker gemaakt. Zo gaan we op 25 juni, Ilias’ sterfdag, altijd naar een Marokkaans vistentje en dan zit ik daar naar de klok te kijken: het is nu half zes, toen ging hij met zijn vriendje op pad. Het is nu zes uur, toen kwam de bus aan. Abdelkader maakt er een Mekka-klok van en vertelt er ook een verhaal bij over Bilal, de gebedsomroeper.”

Benali: “Wat ik heel spannend vond, was dat jij komt op plekken waar een Nederlander nooit zou komen, op een heel natuurlijke manier. Als ik in dat vistentje zou komen en jou zag zitten, dan zou ik meteen een verhaal maken. Wat doet die vrouw hier, is het een stel?”

De vader in de roman heet Abdallah, hij reageert heel anders op het verlies dan zijn Nederlandse vrouw.

Benali: “Ja, ik vond het heel belangrijk dat je ziet dat die vader een Marokkaanse man is in Nederland. Hij heeft het over barzakh, het schemergebied tussen leven en dood, en over de paradijsvogel waarin een gestorven kind transformeert volgens de koran.”

Jongerius: “Je grijpt in je rouw terug op wat je kent van vroeger, daar heb ik mezelf wel over verbaasd. Mohamed ging ineens koranrecitaties luisteren op zijn telefoon. Ik dacht: wat doet die man, hij gaat nooit naar de moskee. En ik ben een keer in een kerk op mijn knieën gegaan en heb mijn hart gelucht bij Maria, met wie ik me ineens identificeerde als moeder van Jezus.”

Mohamed ging ook in gevecht met de busmaatschappij.

Jongerius: “Ja, dat was zijn manier om met zijn rouw om te gaan. De buschauffeur treft geen blaam, maar Mohamed heeft er wel een zaak van gemaakt, hij heeft psychische schade geleden en smartengeld gekregen. In de nasleep van het ongeluk werd zijn wantrouwen jegens de overheid en instanties geactiveerd. Hij zegt altijd: ‘Het leven is een jungle, je moet niemand vertrouwen.’ Dat botste erg, want ik ben juist heel goed van vertrouwen. Maar dit was zijn weg, het boek was mijn weg. En we zijn er samen gelukkig ook uitgekomen.”

Wat betekent deze roman voor jou, Petra?

Jongerius: “Als moeder doe je alles om je kind een toekomst te geven. Die drijfveer is zo sterk. Ik wilde tegen beter weten in, tegen de dood in, een toekomst geven aan mijn kind. Dat betekent dit boek voor mij: Ilias gaat nu toch de wereld in. En ik kan voelen dat ik blij ben dat het boek er is. Paradijsvogel boven de Hoge Woerd is zó mooi. Het is zeven jaar geleden, het waren zulke zware jaren. Nu denk ik: het mag weer beter gaan.”

Abdelkader Benali, Paradijsvogel boven de Hoge Woerd. Arbeiderspers, 21,99 euro.

Lees ook:

Abdelkader Benali: Marokkaanse kunstenaars kunnen hun werk in Marokko niet altijd laten zien

Schrijver en Trouw-columnist Abdelkader Benali is gastconservator van de expositie in het Cobra Museum over Marokkaans modernisme. Wat is zijn lievelingswerk?

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden