Column

Paniek en muziek

Rob Schouten Beeld Maartje Geels

Een vriendin, jong, net afgestudeerd, veelzijdig, gelovig bovendien, belde me op met de mededeling dat ze de laatste tijd regelmatig nachtelijke paniekaanvallen had. 

Ze lag in het duister en vroeg zich af waarom de tijd vergleed, en waarom we op aarde waren, wat stelde het leven eigenlijk voor en wat betekende het eindeloze heelal? Aha, bij mij was ze aan het juiste adres, want daar had ik soms ook last van: tijd, eeuwigheid, doel van het bestaan.

Ook ik lag wel eens panisch wakker: denkend aan de dood kan ik niet slapen en niet slapend denk ik aan de dood. Ja, want meestal komt zulke paniek 's nachts, als je niks beters te doen hebt. Wie werkt of iets omhanden heeft, heeft er minder last van; het is dus in zekere zin een vrijetijdsverschijnsel, dat begunstigd wordt door een gebrek aan prikkels, precies het juiste moment voor die nijpende hamvraag: waarom zijn we hier?

Puberteitsverschijnsel

Ik vertelde haar dat ik er op haar leeftijd, zo rond mijn vijfentwintigste, meer mee worstelde dan nu, het zou dus vast wel verminderen maar ja, daar had ze niks aan. Intussen zat ik wat voor me uit te mijmeren: waarom twijfelden mensen opeens aan het hele bestaan? Had iedereen het weleens of was het voorbehouden aan geboren twijfelaars. Was het misschien een soort verlaat puberteitsverschijnsel, een geloofscrisis? Hadden gelovigen er wellicht meer last van dan geharde atheïsten die toch allang wisten dat het allemaal nergens toe leidde.

Regels van Gerard de Nerval schoten me te binnen: 'Ik zocht het aangezicht van God maar vond slechts een leeg oog, / dat grondeloos en grenzeloos de eeuwig zwarte nachten smeedt'. Tja, wat nu? Ik vertelde haar dat ik die paniek beschouwde als de donkere keerzijde van extase, die paar mysterieuze momenten in je leven dat je opeens, overspoeld door oceanische gevoelens, ervaart dat alles er is en dat jij er bent. Zelf heb ik dat drie of vier keer zo gevoeld, op de meest onverwachte plaatsen, op een avond in Vilnius, op een parkeerplaats in Nebraska, aan een Amsterdamse gracht: opgetild uit het dagelijks bestaan. Woorden waren er niet voor die metafysische ervaringen, ze waren even grondeloos als de paniek afgrondelijk was.

Muziek als medicijn

Maar goed, hielp er iets tegen dat laatste? Nee natuurlijk. Of toch? Ik ging weleens naar beneden om mijn afgrondelijke paniek te bezweren met een boek of gewoon, even iets anders doen, niet daar maar in het duister blijven staren. Maar het beste medicijn was misschien toch muziek, muziek maken (maar dat gaat 's nachts niet) of naar muziek luisteren: ook zo'n woordeloze emotie, Schuberts laatste pianosonate of een sextet van Brahms. Dat helpt bij mij probaat tegen de existentiële paniek: schoonheid, verhevenheid.

Het klinkt misschien als Haarlemse wonderolie, maar ik raadde haar aan het toch maar eens te proberen. Hoefde natuurlijk geen Schubert of Brahms te zijn, alhoewel ik me niet kon voorstellen dat je van de Rolling Stones zo gelouterd raakte, maar je wist het niet. Ik hoorde haar aan de andere kant van de lijn knikken. Ze zou Robs patentmiddel gaan uitproberen.

Lees ook de eerdere columns van Rob Schouten

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden