Review

Ovidius leed bitter onder zijn ballingschap

De dichter Publius Ovidius Naso werd in het jaar 8 na Chr. door keizer Augustus verbannen naar een verre grensplaats van het Romeinse rijk, Tomi aan de Zwarte Zee. Wat er precies de oorzaak van is geweest dat Ovidius in ongenade viel bij het hof, weten we niet.

De dichter zelf noemde zijn leerdicht over de kunst van het liefhebben, de 'Ars amatoria', een van de redenen. De keizer zou in zijn nieuwe wetgeving over de zedelijkheid Rome's populairste dichter over erotische onderwerpen ten voorbeeld hebben willen stellen.

Ovidius leed bitter onder zijn ballingschap, die tot zijn dood van kracht bleef, en onder het gemis van de stad Rome. De 'Tristia' en de 'Brieven uit Pontus' zijn de twee belangrijkste werken die hij in Tomi schreef. Van het eerste kwam deze week een vertaling uit onder de titel 'Sombere gedichten'. Het is opnieuw een teken hoe sterk de antieke literaturen tegenwoordig in de belangstelling staan. Immers, drie jaar geleden kwam een vertaling uit van W. A. M. Peters onder de titel 'Ballingschapsgedichten'.

Van 'Sombere gedichten' in de vertaling van Wiebe Hogendoorn had de uitgever bij de jaarwisseling '94-'95 al een proeve laten verschijnen: de vijftien gedichten van het derde boek, met zulke vloeiende strofen als:

Klimaat, lucht, water, aarde zijn hier niet te harden,

En ach, mijn lichaam is aanhoudend slap.

En of ik door mijn matte hersens aangetast word

Of ziek ben door dit oord van ballingschap,

Hier aan de Pontus lig ik alle nachten wakker,

Ik ben vel over been, ik eet geen hap.

Het is dit overweldigende heimwee van de balling dat Ovidius uit den treure voelbaar maakt in de gedichten aan zijn vrouw, aan vrienden en beschermers, aan vijanden. Soms, heel ontroerend, is de brief zelf een personage:

Ik kom van Pontus' kust en ben een brief van Naso,

Moe van de zee, de wegen die ik ging.

Dan weer spreekt de dichter zijn brief toe die, anders dan hijzelf, wél naar Rome mag. De eentonigheid van het thema, ook door de dichter zelf toegegeven, heeft ervoor gezorgd dat de 'Tristia' niet op ruime schaal is gewaardeerd. Daar kan de vertaling van Hogendoorn verandering in brengen. De vertaler legt een zielsverwantschap met Ovidius aan de dag, die daarin bestaat dat hij in een verraderlijk simpel lijkend taalgebruik de emotionele toon van Ovidius weet vast te grijpen. Hoe verder je vordert in de gedichten, des te voelbaarder wordt de uitzichtloosheid en de radeloosheid van de dichter:

Als ik het landschap zie, het landschap is afgrijslijk,

Niets kan er triester zijn op heel de aard.

De mensen, die veeleer verwoede wolven schijnen,

Zijn de benaming mensen amper waard.

Men vreest de wet niet. Recht moet voor agressie wijken

En delft tegen het zwaard het onderspit.

Een pels, een bolle broek moet hier de kou bestrijden

En lang haar, dat om ruwe tronies klit.

De eenvoud van het taalgebruik bereikt Hogendoorn door de dactylische maat (lang-kort-kort) te vervangen door de jambe (pom-póm); de korte regels vertaalt hij met staand rijm, de lange met slepende assonantie: binnen een strofe heeft de voorlaatste lettergreep dezelfde klank. De strofen, tenslotte, berusten op Hogendoorns interpretatie van het gedicht: hij verdeelt het in eenheden van wisselende lengte.

Door al deze aan zichzelf gestelde opdrachten dwingt de vertaler zich in een bepaald keurslijf: precies wat de antieke dichter met andere middelen ook doet. Zijn vertaling kan dan ook met recht een hertaling, en geen vertaling heten. Niet alles wat in Ovidius staat, kan bij hem een plekje krijgen, maar wel de essentie, en dat in een overrompelende helderheid.

Een probleem zijn natuurlijk de talrijke mythologische verwijzingen. Hogendoorn licht ze in zijn Aantekeningen uitvoerig toe. Voor de lezer wordt de reis naar Tomi daarmee ook een reis door het mythologisch landschap van de Grieken en Romeinen.

In zijn Inleiding is Hogendoorn kortaf over de recente theorie dat heel Ovidius' ballingschap een literaire fictie is: Tomi ligt op de plaats van het huidige Constantza, dat een zonovergoten badplaats is aan de Roemeense Rivièra en een gewild vakantieoord. 'Een zotte theorie', noemt hij het. Maar het is wel een theorie die prikkelt tot nadenken over de literaire aspecten van de 'Exilliteratur', waarvan de 'Tristia' het bekendste antieke voorbeeld is.

Hogendoorn geeft ook een kort en waardevol overzicht van de invloed van de 'Tristia'. En inhoudelijk ben ik het wel met hem eens: zóveel gesteun en geklaag van de dichter en in pijni- gende herhalingen - dat kan geen fictie zijn.

Hans Oranje

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden