Review

Overdonderende opera kan geen enkele troost bieden

De Munt met ’L’uomo dal fiore in bocca’ van Luc Brewaeys (wereldpremière) en ’Monsieur Choufleuri restera chez lui...’ van Jacques Offenbach olv Patrick Davin op 11/2. Herhaling: 14/2.

Alsof er een trein komt langsdenderen, zó dichtbij dat hij bijna over je heen rijdt. Zo begint de nieuwe opera van Vlaanderens belangrijkste componist Luc Brewaeys (1959), ’L’uomo dal fiore in bocca’ (’De man met de bloem in zijn mond’). Met het orkest als één grote, nerveuze, woedende machine die in je gezicht explodeert. Een trein die er vervolgens drie kwartier over doet om naar een verdwijnpunt aan de horizon te rijden.

Voor de man met een bloem (kankergezwel) in zijn mond uit het verhaal van de Italiaanse schrijver Luigi Pirandello is dat verdwijnpunt de dood, het perron is zijn eindhalte. Voor het tweede personage, een voorbijganger die zijn trein heeft gemist, representeert die horizon zijn familie. Voor hem is het oponthoud op het station vervelend, maar niet onoverkomelijk. Hij neemt gewoon de volgende trein naar huis.

Het gesprek tussen de twee begint onschuldig. Het gaat over de banaliteit van alledag. En al die tijd weet je als toeschouwer wat de ’vreedzame klant’ pas aan het einde verneemt: dat de hoofdpersoon met de dood in zijn lijf praat. Als de zieke eindelijk zijn gezwel laat zien onder het koude licht van een straatlantaren, voel je je als luisteraar verlost van een verschrikkelijk geheim. En tegelijkertijd schuldig, omdát je je verlost voelt.

’L’uomo dal fiore in bocca’ is de voorlaatste opdracht in een jarenlange reeks bijzondere wereldpremières van algemeen directeur Bernard Foccroule, die na dit seizoen vertrekt bij gezelschap De Munt. In het illustere rijtje namen Boesmans, Francesconi, Sciarrino en Eötvös kón Brewaeys niet ontbreken.

Je zou de opera net zo goed als een symfonie met obligate stemmen of een tubaconcert kunnen opvatten. Het orkest als onzichtbaar personage dat met steeds meer berusting aan de dialoog op het toneel meedeed. Toverachtig mooie klanken schreef Brewaeys, met de tuba als alter ego van de zieke man en drie vrouwenstemmen als dubbelgangsters van de zwijgende vrouw op het ijzingwekkend kale toneel. Vincent Lemaire maakte een eenvoudig platform, meer niet, een leeg perron waarop de twee mannen ronddoolden.

Geen troost in deze opera, zelfs niet voor het oog. Alle aandacht kon uitgaan naar Brewaey’s meesterlijke muziek en naar de overtuigende regie van Frederic Dusenne. Davide Damiani (titelrol) en Yves Saelens waren mooi gecast: net zoals de muziek van Brewaeys legden ze niet nóg meer gewicht op het loodzware thema, maar gaven ze Pirandello een ernstig soort lichtheid mee. De duetten tussen Damiani en de virtuoze tubaïst Stefan Vanaenrode werkten als vreemde schaduwen en ook dirigent Patrick Davin liet het orkest vanuit de bak acteren als een derde personage, een stenen gast.

Het matineepubliek was zondag waarschijnlijk afgekomen op de Offenbach-klucht ’Monsieur Choufleuri restera chez lui...’ die na de pauze werd gezongen. Die luchtige komische opera vormde wellicht een te groot contrast met Brewaeys. Het orkest onder Davin leek er, net zomin als Saelens en Hendrickje Van Kerckhove, veel last van te hebben: tegen een net zo sober maar uitbundig rood behangdecor zongen en acteerden ze ook hier de sterren van de hemel.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden