Review

Oud-verzetskrant 'Combat' wankelde dertig jaar op haar laatste benen

Yves-Marc Ajchenbaum: A la vie, à la mort - Histoire du journal Combat 1941-1974. Le Monde Editions, Parijs; geïll., 393 blz. - FF 140.

Zijn meest legendarische redacteur was de schrijver Albert Camus. Als journalist werd hij door Simone de Beauvoir vereeuwigd in 'Les Mandarins', een van de boeiendste romans uit de jaren vijftig, althans voor wie belangstelt in het toenmalige intellectuele klimaat in sommige Parijse arrondissementen. Camus trad erin op als Henri, hoofdredacteur van een verzetskrant die er grote moeite mee had, in de naoorlogse politieke heksenketel zowel haar onafhankelijkheid als haar lezers te behouden. Dat is - zoals Yves-Marc Ajchenbaum's pakkende biografie van de krant overduidelijk maakt - 'Combat' ten voeten uit.

Evenmin als zijn Nederlandse pendant kon het Franse verzet op nationale steun bogen. Toch moeten er tussen 1939 en 1945 in Frankrijk zo'n 1 100 illegale bladen zijn verschenen. 'Combat' ('Strijd' - de titel was bedoeld als riposte op Hitler's 'Mein Kampf') was een van de oudste. Heel klein begonnen - een bulletin met een oplage van achttien stuks - ontwikkelde het zich in het oprichtingsjaar 1941 tot een echte clandestiene krant, van twee pagina's, gedrukt in Lyon.

Een van de oprichters was Berty Albrecht, een militante sans parti uit een liberaal-protestants nest, wier Nederlands klinkende achternaam te verklaren valt uit de herkomst van haar katholieke echtgenoot. Om zich heen verzamelden zij en de andere werkers van het eerste uur een veelkleurig gezelschap: protestanten, katholieken en joden, vrijmetselaars, beroepsmilitairen en anticlericale socialisten.

Wat hen bond, was de overtuiging dat Frankrijk, eenmaal bevrijd van de bezetter, tevens verlost moest worden van het kapitalistische produktiestelsel dat vooral een machtige economische elite begunstigde. Dit vonden de communisten ook, maar hun oplossing - 'staatsslavernij' - beviel de verzetsbeweging achter 'Combat' allerminst. De grote schoonmaak die haar voor ogen stond - of zweefde - kwam neer op een vreedzame sociaal-democratische omwenteling onder leiding van het voormalig verzet.

Naarmate de bevrijding naderde, groeide bij de équipe van 'Combat' de behoefte aan journalistieke leiding. Ze werd vervuld door Pascal Pia (1903-1979), oud-hoofdredacteur van 'Alger républicain' en in de jaren dertig bevriend met Eddy du Perron - een vriendschap waarvan in 'Het land van herkomst' sporen zijn te vinden. Een van Pia's leerlingen in Algerije was de jonge Albert Camus. Ook hij, inmiddels een schrijver met enige faam, kwam eind 1943 het team van 'Combat' versterken.

Samen met Pia voerde hij na de bevrijding van Parijs, in augustus 1944, nog een tijdje de redactie aan van de krant die zich inmiddels het motto 'De la Résistance à la Révolution' had aangemeten. Weinige Fransen bleken bij machte, of zelfs bereid, haar op die weg naar een 'revolutie' te volgen. Vooroorlogse politici, door 'Combat' al naar de vuilnisbak van de geschiedenis verwezen, beijverden zich met succes om oude machtsposities te heroveren.

In deze politieke realiteit niet overmatig geïntereseerd, staarde de redactie zich blind op wat al spoedig tot een hersenschim zou vervluchtigen: de morele kracht van het voormalige niet-communistische verzet, dat, niet gehinderd door banden met vooroorlogse partijen, met meeslepend vertoon van humanistisch engagement de Franse samenleving grondig zou hervormen. De eerste naoorlogse verkiezingen maakten meteen duidelijk dat veruit de meeste Fransen uit deze hoek geen brood en wijn op de plank verwachtten. De behartiging van hun meest elementaire materiële belangen - voorlopig, evenals in de oorlog, hun voornaamste zorg - vertrouwden ze liever aan ervaren politici toe.

Eigenlijk betekende de bevrijding voor 'Combat' het begin van het einde. De oplage consolideerde zich op een steeds lager niveau (om te variëren op een ook in Nederland niet incourant eufemisme). Van 180 000 exemplaren in de winter van 1944/45 daalde ze gestadig naar 70 000 in 1951, aantallen waarin de onverkochte nummers - in 1951 bijna 30 procent - niet zijn verdisconteerd. Maar sommige kranten houden het op hun laatste benen verbazend lang uit. Pas in 1974 viel - met een knal waarvan de aard aan het slot van dit stuk zal worden onthuld - het doek voor 'Combat'.

Ajchenbaum concentreert zich in zijn portret nogal op de politieke lijn van de krant tot aan de jaren vijftig. Zo roept hij een levendig beeld op van het Franse politieke leven in de eerste naoorlogse jaren. Een nadeel van zijn aanpak is dat ze de indruk kan wekken als zou de langzame ondergang van 'Combat' vooral te wijten zijn aan de weinig rechtlijnige koers in politicis, die bovendien nooit door de hele redactie werd gesteund. Eén voorbeeld: in 1945 en 1946 zette de krant haar kaarten eerst op het niet-communistische voormalig verzet, vervolgens op de oude, vermoeide socialistLéon Blum en ten slotte op De Gaulle.

Toch was er misschien weinig aan de hand geweest, als de redactie zich wat vaker had afgevraagd, aan welke eisen de krant moest voldoen om niet alleen hier en daar op de linker Seine-oever verkocht te worden. Te lang leed ze aan wat Ajchenbaum omschrijft als een bijna ziekelijke neiging om commerciële overwegingen uit haar beleid te weren. Bovendien ontbrak het haar aan respect voor de lezers die nog niet waren weggelopen. “Als ons werk hen niet beviel, hadden de lezers ongelijk”, zei een oud-redacteur in 1992.

In redactioneel management blonk 'Combat' evenmin uit, om het mild te formuleren. Daar kwam bij dat de journalistieke leiding, voor zover aanwezig, vaker vervangen werd dan gezond is voor een bedrijf. In 1947 verdween Pia. Weldra vertrok ook Camus, die na een literaire pauze naar de krant was teruggekeerd. Een ruzie over de eigendom van 'Combat' en over nieuwe financieringsbronnen eindigde met een exodus van redacteuren en een machtsovername door een geldschieter van Tunesische komaf, de zakenman Henri Smajda, die een privé-springplank naar het politiek-culturele establishment nodig had.

Naarmate de financiële nood steeg, verstevigde Smajda, bijgenaam le dictateur, zijn greep op het journalistieke beleid. Ondoordachte pogingen tot popularisering - plotseling werden de lezers vergast op reportages van het genre 'Acht dagen bij de nudisten' - vermochten de gestage terugloop van het lezerstal niet te stuiten. Daartoe droeg ook bij dat de omvang van 'Combat' werd uitgebreid zonder dat Smajda extra kon of wilde investeren in de redactie. Voor een krant die intellectuele ambitie moest combineren met financiële nooddruft, lagen de gevolgen voor de hand: nog minder ruimte voor feitelijke informatie, door eigen redacteuren in grondig onderzoek vergaard, nog meer stukken waarin voor de vuist weg geopinieerd en gepolemiseerd werd.

Lang bleef 'Combat' zo'n beetje drijven op de afdeling kunst en cultuur, in de jaren veertig ontwikkeld door gezaghebbende critici als Maurice Nadeau, en op de rubriek Podium, waarin van tijd tot tijd de namen schitterden van hogere publiekstrekkers als Bertrand Russell en Henri Jeanson. Maar de betrekkelijke intellectuele glorie van de jaren veertig - waarin het blad kon bogen op de medewerking van onder anderen Sartre, Simone de Beauvoir, Raymond Aron, Etiemble, Emmanuel Mounier en Alfred Grosser - zou nooit weerom keren.

In 1974 liep de lijdensweg dood. Hoofdredacteur Philippe Tesson verliet het zinkende schip om een nieuwe krant op te richten: 'Le Quotidien de Paris', die het tot 1994 zou uitzingen. In zijn gevolg ontruimden nog negentien redacteuren voorgoed de vervuilde burelen, waar ze tegen een karig loon en met krakkemikkige hulpmiddelen een door zetfouten geteisterde gazette hadden gemaakt. 'Ik vermoord je!', schreeuwde Smajda nog tegen Tesson, voordat hij een nieuwe équipe in het leven riep. Vervolgens vermoordde hij zichzelf. Uitgeput, ziek en geruïneerd schoot de 77-jarige zich op 14 juli, de Franse nationale feestdag, een kogel door het hart. Een maand later sneefde ook een verzetskrant die al zo'n dertig jaar een mooie toekomst achter de rug had.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden