Review

Oriëntalisme is niet vernederend

Sinds de westerse kijk op de ’Oriënt’ als verkapt kolonialisme bestempeld werd door Edward Said, lijken er maar twee opties: je bent Saidiaan of niet. Drie nieuwe boeken doorbreken patstelling in het culturele debat. Eén ervan verkent (eindelijk!) het oriëntalisme in Nederland.

Sinds 1978 is het nauwelijks meer mogelijk over de culturele contacten tussen Europa en de niet-westerse wereld te spreken zonder een verwijzing naar het begrip ’oriëntalisme’. In dat jaar verscheen het boek ’Orientalism’ van de Palestijns-Amerikaanse literatuurwetenschapper en cultuurcriticus Edward Said, waarin de westerse benaderingen van de ’Oriënt’ aan een scherpe kritiek worden onderworpen. In zijn boek, dat de academische wereld vrijwel onmiddellijk in twee onverzoenlijke kampen verdeelde, betoogt Said dat de westerse visie op de Arabische wereld zoals die in de loop der eeuwen is ontwikkeld onlosmakelijk is verbonden met de westerse koloniale en politieke belangen in het Midden-Oosten, en dat de wetenschappelijke bestudering van het cultuurgebied vanaf het begin in dienst van deze belangen heeft gestaan.

Saids theorie bevat drie essentiële componenten: ten eerste betoogt hij dat er in Europa in de loop der eeuwen een structureel samenhangend beeld van de ’Oriënt’ is geconstrueerd, zowel binnen het wetenschapsgebied van de oriëntalistiek als in kunst en literatuur. In de tweede plaats zou dit beeld niet meer dan een imaginaire constructie zijn die niet berust op de realiteit, maar die is opgebouwd om de Europese identiteit af te bakenen tegenover een fictieve, oosterse ’ander’. En, ten slotte, zou de beeldvorming over de ’ander’ die hieruit voortvloeit leiden tot stereotype voorstellingen die door politici en machthebbers worden gemanipuleerd om aanspraken op westerse superioriteit te ondersteunen en interventie en overheersing te legitimeren. Volgens Said is de hele westerse cultuur van dit verfoeilijke ’oriëntalisme’ doordrongen en vormt het een essentieel onderdeel van de Europese identiteit.

Dertig jaar na dato is het debat over de verschillende vormen van oriëntalisme nog steeds niet tot bedaren gekomen. Hoewel sommigen Saids boek afdeden als een oprisping van postkoloniaal schuldgevoel, zagen anderen er een frontale aanval in op traditionele benaderingen in de bestudering van de niet-westerse wereld en een aanleiding tot intensieve zelfkritiek.

De critici wezen op de vele fouten en omissies in Saids boek en de schijnbaar achteloze manier waarop hij teksten van zeer uiteenlopende aard en uit verschillende perioden op één hoop gooit, variërend van wetenschappelijke teksten tot romans. Belangrijker nog is de beschuldiging dat Said de stereotype opvattingen over de Oriënt probeert te bestrijden met even stereotype opvattingen over Europa, waardoor hij niet alleen in de fout vervalt die hij anderen verwijt, maar bovendien in een fuik belandt: als Saids voorstelling juist is, is er geen ontsnapping mogelijk en kan de essentiële tweedeling tussen Oost en West niet worden doorbroken.

Hoe men het boek van Said ook waardeert, het heeft in elk geval de aanzet gegeven tot een fundamenteel debat over wetenschap, cultuur en beeldvorming en tot een groot aantal studies naar vormen van oriëntalisme in de westerse cultuur. Terwijl vooral in Engeland en Frankrijk een groot aantal werken over oriëntalisme in literatuur en kunst verscheen, bleef Nederland op dat gebied enigszins achter, vermoedelijk omdat de banden met het Midden-Oosten historisch bezien minder intensief zijn geweest dan die van de buurlanden.

In deze lacune is nu voorzien door de kunsthistoricus Jan de Hond, met zijn fraai uitgegeven ’Verlangen naar het Oosten; oriëntalisme in de Nederlandse cultuur ca. 1800-1920’. Het boek biedt een panoramisch overzicht van oosterse invloeden in de Nederlandse cultuur, zowel in de literatuur als in de kunst, architectuur, populaire cultuur, reisverslagen, kunstnijverheid, enzovoort. Een bonte stoet van schrijvers en schilders trekt aan de lezer voorbij, zoals Marius Bauer, Bilderdijk, Couperus en Jacobus van Looy, allen kenmerkend voor verschillende tendensen binnen het oriëntalisme, ondergebracht in categorieën als het ’sensuele’ Oosten, het ’mystieke’ Oosten en het Oosten als romantisch alternatief voor het moderniserende, industrialiserende Westen.

Een van de interessantste hoofdstukken in het boek is de beschrijving van het bijbelse oriëntalisme, waaraan in de meeste studies naar het Europese oriëntalisme weinig aandacht wordt besteed. De Hond analyseert de verslagen van een groot aantal reizigers naar het Heilige Land, die de ondergrond vormen voor een variëteit aan verwerking van de bijbelse geografie.

Voor katholieken was de bedevaart naar Jeruzalem natuurlijk van oudsher een belangrijke bron van spiritualiteit, maar in de negentiende eeuw trokken ook veel protestanten naar Palestina om zich te laven aan het ’authentieke’ bijbelse landschap waar de sporen van de bijbelse geschiedenis konden worden getraceerd. De reconstructie van de bijbelse realiteit, of liever gezegd de projectie van bijbelse voorstellingen op het moderne Palestina, mondde uit in typisch negentiende-eeuwse tentoonstellingsprojecten, als het grote Jeruzalempanorama dat in Amsterdam werd ingericht en in het devotiepark van de Heilig Landstichting bij Nijmegen.

Het boek van Jan de Hond, dat voor lange tijd het standaardwerk over het Nederlandse oriëntalisme zal blijven, verwijst weliswaar naar het oriëntalismeconcept van Edward Said, maar gaat toch niet echt in op de discussie over Saids ideeën.

Een meer serieuze poging om het ’Saidisme’ ter discussie te stellen is te vinden in het al even lijvige boek ’Europa’s India’ van de cultuurhistoricus Peter Rietbergen. Het bundelt een aantal cultuurhistorische essays met als verbindende lijn de Europese fascinatie door oosterse culturen in het algemeen en India in het bijzonder. Het belangrijkste uitgangspunt van het boek is dat er niet zoiets bestaat als een statische, onvermengde cultuur. Alle culturen zijn verstrengeld met andere culturen en zijn voortdurend in beweging. Alleen een vergaande historisering van het begrip cultuur kan recht doen aan de manier waarop culturen zich ontwikkelen en elkaar beïnvloeden.

Na deze proloog doet Rietbergen en poging enige beweging te krijgen in het vastgelopen debat over het oriëntalisme. Na de gebruikelijke kritiek op Saids inconsistenties bepleit hij de vervanging van het Saidaanse model, waarbij Europa de Oriënt heeft ’gecreëerd’ volgens haar eigen behoeften, door een meer positief model waarin het christelijke Europa, vanuit een gevoel van universalisme, zich visies op andere culturen ’toeëigent’ ter verrijking van de eigen cultuur en een beter begrip van de ’ander’.

Volgens Rietbergen was er bij de vele avonturiers die kennis probeerden te vergaren over exotische streken en die voorstellingen van het Oosten in hun werk integreerden meestal sprake van oprechte belangstelling en de expliciete wens om zichzelf beter te leren kennen door middel van kennis over ’anderen’. Deze drang zou voortkomen uit het besef dat de oorsprong van het christendom buiten Europa ligt, waardoor de christenen altijd genoodzaakt zijn geweest hun wortels mede in andere culturen te zoeken.

Hiermee doorbreekt Rietbergen de patstelling die door Said is veroorzaakt doordat zijn benadering niet zozeer uitgaat van eenzijdig opgelegde voorstellingen, maar veeleer van een proces van wederzijdse beïnvloeding. Bovendien wordt de generaliserende aanpak van Said, die alle soorten teksten, ongeacht de eigenlijke intenties van de auteur, onder één noemer brengt, genuanceerd door een benadering die differentieert tussen historische contexten, genres en individuen. In de essays die na dit inleidende hoofdstuk volgen, wordt deze benadering in praktijk gebracht in de vorm van een serie portretten van figuren die elk op hun eigen manier hun fascinatie door met name India hebben vormgegeven in wetenschap, literatuur, reisverslagen, film en filosofie. We zien de Nederlandse schrijver Johannes Nomsz, samen met auteurs als Novalis, Slauerhoff, Whitman, Hesse, en De Gubernatis voorbijkomen, naast de wetenschapper Von Hammer-Purgstall en de filmers Louis Malle en Roberto Rosselini.

Deze essays leveren een boeiend spectrum op van de lange culturele verkenning van het Oosten door een veelsoortig leger van gepassioneerde intellectuelen. De gedetailleerde historisering van het proces van cultuuruitwisseling die eruit tevoorschijn komt geeft inderdaad een genuanceerder en gevarieerder beeld dan dat van Said.

Tegelijkertijd ontbreekt in ’Europa’s India’ een poging om de historische gevarieerdheid in een synthese te plaatsen en dat is jammer, omdat een aantal van de figuren die Rietbergen beschrijft goed lijken te passen in Saids model, niet zozeer omdat zij koloniale of heerszuchtige intenties hadden, maar omdat zij toch, soms tegen hun wil, soms betaald door hun overheid, wegen baanden waarlangs de Europese overheersing kon oprukken. Hier komt het aloude spanningsveld tussen historisering en theorievorming aan de oppervlakte: theoretische modellen worden onontkoombaar door gedetailleerd historisch onderzoek ondermijnd, maar datzelfde onderzoek leidt soms tot een veelheid van impressies die op hun beurt in een kader moeten worden geplaatst om ze te kunnen interpreteren.

Terwijl Rietbergen het Saideaanse model bestookt met degelijk cultuurhistorisch onderzoek, wordt het vanuit theoretische hoek aangevallen door Daniel Varisco, in zijn boek ’Reading orientalism; Said and the unsaid’. Hierin wordt Saids werk aan een systematische analyse onderworpen, enerzijds door middel van een kritische beschouwing van de manier waarop hij zijn bronnen heeft gebruikt, anderzijds door te wijzen op theoretische inconsistenties en retorische trucs. Varisco slaagt erin aan te tonen dat er in dat opzicht weinig deugt van Saids sleutelwerk, al haast hij zich te verklaren dat de politieke intenties van Said hem blijven aanspreken.

Varisco’s fundamentele kritiek geeft vooral aan dat de tijd rijp is om de loopgravenoorlog tussen aanhangers en bestrijders van Said eindelijk te beëindigen en nieuwe ideeën ruimte te geven. Daarbij zouden de kritische inzichten die uit het debat zijn voortgekomen ter harte moeten worden genomen en zou het besef moeten postvatten dat processen van culturele communicatie altijd dynamisch en wederzijds zijn, ook al vinden ze plaats binnen ongelijke machtsverhoudingen. Zo bezien is het oriëntalisme als component van de Europese cultuur niet een vorm van vernederende reïficatie van de ’ander’, maar een volwaardige invloed vanuit de ’oosterse’ cultuur.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden