Review

Orgels kunnen zingen als een nachtegaal

Wist u dat op een orgel ook een nachtegaal kan worden nagebootst? “Enkele, meestal twee, kleine pijpjes worden in een bakje geplaatst. Het bakje wordt met water gevuld. Wanneer de pijpjes tot klinken worden gebracht en de luchtstroom in contact komt met het water, ontstaat het vogelachtig geluid.”

Het is een van de talloze aardige details die Jan Jongepier in 'Toegang tot het orgel' meedeelt én laat zien, want op de 461ste en laatste foto in het boek wordt de werking van 'het nachtegaaltje' ook aanschouwelijk gemaakt. Op de pagina's daarvoóó heeft de bespeler van het Müller-orgel in de Leeuwarder Jacobijnerkerk de lezer uitvoerig geïnformeerd over de eerste orgeltjes in de late Middeleeuwen, over balustrade- en zwaluwnestorgels (instrumenten die, bijvoorbeeld in Monnickendam, zonder enige ondersteuning aan de muur zijn opgehangen), over de verschillende plaatsen van de speeltafel, over buitenlandse invloeden op de Nederlandse orgelbouw, over het verschil tussen labiaalpijpen en tongwerken - ja, er zijn nauwelijks aspecten van het historische orgel die onbesproken blijven.

Dat zogenaamde orgelkenners ook op het verkeerde been kunnen worden gezet, wordt door Jongepier intussen niet verzwegen. In een aantal intermezzi (met kopjes als 'Een beetje misleidend' en 'Gefopt') maakt de auteur duidelijk dat achter sommige orgelfronten nogal eens een verrassing schuilt. Zo heeft het orgel in de St. Martinuskerk te Westwoud weliswaar de nodige allure, maar bij nauwkeurige beschouwing blijkt dat het Rugwerk (met uitzondering van de niet-aansprekende frontpijpen) geheel loos is...

Jongepier heeft, ongetwijfeld om overigens niet genoemde goede redenen, zijn beschrijving tot het voor-20ste-eeuwse historische orgel beperkt. De naoorlogse ontwikkelingen in de orgelbouw, maar ook de opkomst van de elektro-pneumatiek rond de eeuwwisseling, blijven daarmee onbesproken. Orgels met het machanische sleepladensysteem zijn in de ware zin des woords het meest ambachtelijk en daarover kan Jongepier onderhoudend en verhelderend vertellen.

Ofschoon zijn werkterrein als adviseur bij diverse orgelrestauraties zich over een groter gebied uitstrekt, komt het merendeel van de beschreven instrumenten uit Noord-Holland, Friesland en Groningen. Het is vermoedelijk niet een al te boude uitspraak dat zich juist daar het meest gevarieerde orgelbezit van ons land bevindt.

Jongepier heeft met deze publicatie voor de orgelliefhebber - en dat zijn er, getuige de vele orgelconcerten en de hausse aan orgel-cd's, nog steeds vele - het inzicht in de werking van het orgel vereenvoudigt. Dat daarbij van tijd tot tijd een soms hoge (vaktechnische) horde moet worden genomen, doet aan de waardering voor dit leerzame boek niets af. Daarnaast wordt door Jongepiers encyclopedische kennis van de nationale orgelkaart ook een aantal relatief onbekende instrumenten (Oud-Katholieke kerk/Den Haag, St. Ursulakerk/Warmenhuizen) bij een groter publiek geïntroduceerd.

Tegen de degelijkheid en de verzorgde vormgeving van Jongepiers werk steekt de feestbundel van de 25-jarige Stichting tot behoud van het Nederlandse Orgel nogal karig af. Naast een uiterst gebrekkig notenapparaat en het ontbreken van een titelblad, moet vooral de afwezigheid van een trefwoorden- en personenregister als een omissie worden aangemerkt.

Dat de bijdragen van veertien verschillende auteurs qua lengte en niveau nogal van elkaar verschillen is blijkbaar niet te vermijden, al had een kritisch eindredacteur hier en daar zeker feitelijke en stilistische correcties kunnen aanbrengen.

Uitgezonderd de wat misplaatste polemisch-getinte artikelen van J. Zwart (inderdaad, 'een zoon van') over Jan Pietersz. Sweelinck, bevat de bundel gelukkig ook veel wat het lezen waard is. De beschouwing van Ewald Kooiman over de historische uitvoeringspraktijk - een gevoelig discussieonderwerp onder musicologen - blinkt uit door een evenwichtige bescheidenheid. Ofschoon de auteur zijn eigen visie niet onder stoelen of banken steekt, wenst hij andere opvattingen niet met goed of slecht te kwalificeren, want 'het kennen van de wil van de componist zal in de meeste gevallen uiterst betrekkelijk en onvolledig zijn en blijven'.

Ook andere bijdragen, zoals die over de emancipatie van de Bach-cultuur in de tweede helft van de vorige eeuw, de orgelmaker Jacob Courtain (1750?-1825) en de blinde organisten van de Oude Kerk te Amsterdam, zijn van een plezierige leesbaarheid.

Ten slotte de door Teus den Toom beschreven lotgevallen van het Steinmeyerorgel uit de voormalige Prinsessekerk in Amsterdam. Pogingen om voor dit als 'het orgel van Piet van Egmond' bekend geworden instrument na de afbraak van de kerk een passende bestemming te vinden, leden schipbreuk. Een deel van het orgel werd geplaatst in een aan een woning gebouwde schuur in Halfweg-Zwanenburg. Door enige gaten in de scheidingsmuur aan te brengen konden de orgelklanken tot in de huiskamer doordringen. Jammer alleen dat de originele manuaaltoetsen waren versleten en moesten worden vervangen. Voormalig Trouw-redacteur Bert Klei schreef tien jaar geleden in deze krant al, dat iemand hem had verteld dat “Piet (van Egmond) er te veel ruwe stormen over had laten woeden...”.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden