Review

OPNIEUW EEN REVOLUTIE VAN DE VLIJTOmdat mensen meer willen kopen, gaan ze harder werken

Anton Schuurman, Jan de Vries en Ad van der Woude (red.): Aards Geluk. De Nederlanders en hun spullen van 1550 tot 1850. Balans, Amsterdam; ¿ 65.

A.TH. VAN DEURSEN

Wie op het punt staat dit boek om die reden wel of juist niet te kopen, zal er daarom goed aan doen het eens om te draaien, zodat hij de achterkant van de omslag lezen kan. En als hij dan nieuwsgierig geworden is, moet hij het boek openslaan bij de inleiding. Dan komt hij de beide werkelijke doelstellingen op het spoor.

Wat de inleiding vertelt wordt kernachtig samengevat in de ondertitel, 'de Nederlanders en hun spullen 1550-1850'. Nederlandse historici hebben de laatste jaren veel studie gemaakt van wat zij de materiële cultuur noemen, dat wil zeggen de voorwerpen die de mensen in huis hadden. Ze hebben bronnen aangeboord die veel informatie gaven over hebben en houden, en sleutels gevonden om die gegevens te interpreteren.

Onder vakgenoten hebben ze daarvoor reeds alle waardering ontvangen, maar ze willen nu deze nieuwe inzichten ruimer bekend maken bij 'het brede publiek'. Dat kan nu uit deze gebundelde artikelen van diverse auteurs leren wat Nederlandse onderzoekers kunnen doen met inventarissen van nagelaten boedels.

De tweede doelstelling reikt verder, en dat wordt uitgelegd op de omslag. Het gaat er niet alleen om dat we nu tamelijk nauwkeurig kunnen zeggen hoe Brabantse boeren hun woningen plachten in te richten, of hoe Delftse bierbrouwers en hun vrouwen doorgaans gekleed gingen. Door de studie van al die onbezielde voorwerpen worden we wijzer over de mensen die ze hebben gebruikt. Die meubels, die kleren en die snuisterijen zijn de spiegel van een mentaliteit. Veranderen de inboedels, dan verraden ze daarmee veranderingen in de geestesgesteldheid van de bezitters.

Dat is de rechtvaardiging van de hoofdtitel, 'Aards Geluk'. De wortels van onze moderne consumptiemaatschappij liggen in het verleden, zeggen de schrijvers. Het streven naar aards geluk staat aan het begin van de moderne samenleving. De geschiedenis van de materiële cultuur is dan inderdaad volop cultuurgeschiedenis. Ze laat zien waarnaar de mensen in een gegeven tijdvak hebben gestreefd. Hoe wilden ze zijn, en hoe wilden zich voordoen aan anderen? Nieuwe consumptiegoederen zijn tekenen van een nieuwe mentaliteit.

Laten we het met een voorbeeld verduidelijken, uit het artikel van Voskuil over boedelbeschrijvingen in Maasland. Omstreeks 1800 trof men slechts in een klein aantal huishoudens leunstoelen aan, gewoonlijk niet meer dan een. Die is kennelijk bedoeld voor de heer des huizes. Aan het einde van de negentiende eeuw zijn het er in veel gevallen twee geworden. De vrouw is klaarblijkelijk in aanzien gestegen. Ook zij neemt nu in een leunstoel plaats. Uit boedelinventarissen laat zich zo een maatschappelijke verandering aflezen. De invloed van de vrouwenbeweging toont zich in het huiskamerameublement.

Nu is dat natuurlijk niet zo verrassend, want de emancipatie van de vrouw was al uit andere bronnen bekend. Maar er is meer. De negentiende-eeuwse burgers van Maasland hadden leunstoelen in de kamer, maar de boeren van het dorp niet. Voelden boeren geen behoefte hun mannelijke waardigheid aan te geven? Misschien niet. De Franse onderzoekster Martine Segalen is van mening, dat in een boerensamenleving man en vrouw elk hun eigen taak hadden, en daarin gelijkwaardig waren. Pas de mechanisatie van de landbouw holde de taak van de vrouw uit en verstoorde het vroegere machtsevenwicht.

Zo'n voorbeeld toont de mogelijkheden en de beperkingen van dit soort onderzoek. Het kan je op een idee brengen, en dat is de aardige kant. Maar zekerheid geeft het je bijna nooit. Ten eerste kan Martine Segalen zich best vergissen, en ten tweede hadden haar Normandische boeren misschien heel andere manieren van denken dan onze Maaslandse.

Deze wetenschap houdt zich bezig met harde voorwerpen, maar is desalniettemin een van de meest speculatieve specialismen die ik ken. De taal der dingen kan op zeer verschillende manieren worden begrepen, en de uitleggers die in deze bundel aan het woord komen, lezen de bronnen ieder op hun eigen manier. Toch lijkt er een gemeenschappelijke noemer te zijn, namelijk dat er geen simpele verbanden bestaan tussen vraag en aanbod, loon en prijs.

Het is niet zo, zegt Thera Wijsenbeek naar aanleiding van haar Delftse boedelinventarissen, dat de inhoud van kasten en kamers alleen verandert in perioden van economische groei en vooruitgang. Ook is het niet zonder meer waar, dat bij opgaande conjunctuur mensen meer gaan kopen. Aan het einde van de achttiende eeuw zien we bijvoorbeeld dat de Delftse elite de huiskamer soberder gaat inrichten: minder meubels, minder porseleinen siergoed. Deze welgestelde dames en heren zouden best meer spullen kunnen inslaan, maar ze doen het niet. De mode schrijft soberheid voor, en door die mode laten ze zich regeren.

Mensen gaan meer goederen aanschaffen omdat ze het willen, en niet omdat ze geld genoeg hebben. Natuurlijk hebben ze dat geld wel nodig, maar daar gaan ze dan voor zorgen. Dat is in elk geval de benadering die de Amerikaan Jan de Vries heeft gekozen.

In de achttiende eeuw daalden de lonen, en je verwacht dus dat de meeste mensen minder zullen besteden. De boedelinventarissen laten het tegendeel zien. De hoeveelheid goederen neemt toe, de uitgaven voor consumptie stijgen. De Vries' ingenieuze verklaring bestaat in wat hij noemt 'de revolutie van de vlijt'. Omdat de mensen meer willen kopen, gaan ze harder werken. Ze verruilen hun vrije tijd voor extra consumptie. Ze buiten om zo te zeggen zichzelf uit. Daarom neemt ook de arbeid van vrouwen en kinderen toe. Die is niet in het leven geroepen door de fabriek. Het zijn de gezinnen zelf, die een groter inkomen willen en daarom alle huisgenoten aan het werk zetten.

Dat is dan aards geluk. Achter die titel kan een licht cynisme schuilgaan, alsof je het geluk gevonden hebt wanneer je de open haard vervangt door de kachel, de kaars door de petroleumlamp en aardewerk door porselein. De revolutie van de vlijt dwingt iedereen zich in dienst te stellen van zijn bezit, en dat noemen we aards geluk. Wie zou dan niet moraliseren, zeker als hij bij De Vries leest, dat we in onze eigen tijd opnieuw een revolutie van de vlijt beleven?

Toch is de titel zo niet bedoeld. Schuurman vertelt dat ook in de achttiende eeuw veel geklaagd werd over de toenemende luxe. Aan dat vraagstuk is toen al een uitvoerig artikel besteed in dat schatboek van verlichte wijsheid, de Franse Encyclopédie van Diderot en D'Alembert. Deze filosofen, zegt Schuurman, hebben de luxe-discussie bevrijd van haar moraliserend karakter. Het verlangen naar welstand is volgens de Encyclopédie juist heel gezond. Het zet de plattelander aan het werk.

“Zijn zelfbewustzijn, zijn zorg voor het behoud van zijn welvaart en zijn eer brengen hem er toe zijn arbeidskracht duur te verkopen.” Hij moet er alleen voor waken dat deze passies ondergeschikt blijven aan de gemeenschapsgeest, anders zullen zij “talrijke onrechtvaardigheden met zich meebrengen en leiden tot grote ravages”. Dat is, meent Schuurman, geen moralisme, maar een nuchtere waarschuwing tegen negatieve kanten van het streven naar luxe.

Mij ontgaat die conclusie. De Encyclopédie moraliseert wel degelijk. Ze wil dat menselijke hartstochten ondergeschikt blijven aan een hoger ideaal. En haar zogenaamde nuchtere waarschuwing is onheilspellend genoeg als je niet aangeeft hoe dat dan moet: je passies ondergeschikt maken aan de gemeenschapsgeest. Hoe kun je een egoïstische drijfveer in dienst stellen van een hoger ideaal? Zo gezien stelt de titel wel degelijk het probleem dat de woorden aards geluk ons suggereren.

De lezer hoeft zich daar verder niet druk over te maken. De inhoud van de bundel wordt toch vooral door de ondertitel getypeerd: Nederlanders en hun spullen. Wat historici daarover weten, maken ze bekend aan het beoogde brede publiek. De artikelen worden de algemene lezer onversneden voorgezet, compleet met alle Lorenz-curven en sociaalwetenschappelijke vaktaal.

Slechts op een punt heeft men het publiek tegemoet willen komen: alle voetnoten zijn geschrapt, want die heten enkel bestemd voor de wetenschap. Het lijkt mij een ongelukkige concessie. Mevrouw Fock schrijft zelf, dat in de weggelaten noten 'een nadere toelichting en nuancering van de tekst' te vinden is. De Vries citeert William Cobbett, en Van der Woude haalt Samuel van Hoogstraeten aan, zonder dat de lezer verneemt waar hij deze citaten moet zoeken.

Schuurman zegt dat de katholieke kerk schuldig is aan de toegenomen kindersterfte in het negentiende-eeuwse Brabant, maar geeft zijn bron niet aan. Zou dan werkelijk alleen de professionele historicus behoefte kunnen voelen zo'n mededeling te controleren? Laten we maar hopen dat het schrappen van de noten de lezers bewust maakt van het gemis. Wetenschap en symboliek vragen er beide om. Aards geluk kan niet verkregen worden zonder rekening en verantwoording.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden