Review

Opgroeien is voor zeikerds

De Vijftigers dweepten met jazz, schrijfcoryfeeën van nu met pop. Joost Zwagerman, P.F. Thomése, Thomas Verbogt, Herman Brusselmans, Bart Chabot: zij groeiden op met de Stones of Nirwana, en keuvelden backstage met Herman Brood of Huub van der Lubbe. Levert dat literatuur op? Peter Sierksma, pop- én literatuurliefhebber, stelt vast dat er 'buiten de sportjournalistiek nergens zo kritiekloos wordt gezwijmeld als in de popliteratuur'. Maar niet door iedereen.

Schrijvers hebben doorgaans weinig op met muziek. Het klinkt wat tegenstrijdig aan de vooravond van een Boekenweek die in het teken van muziek staat, maar volgens Maarten 't Hart is het niet anders. In 'Mozart en de anderen' zegt hij slechts een handjevol collega's te kennen die zich serieus met muziek hebben ingelaten: Thomas Mann, Simon Vestdijk, Jozef Eyckmans en (een beetje) Louis Couperus. En dat terwijl musici en componisten van oudsher wel grote belangstelling hebben getoond voor de letteren.

Gelukkig houdt Maarten van overdrijven, want Anna Enquist en Margriet de Moor ontbreken. Maar de schrijver gaat verder: “Op zijn hoogst is er sprake van een niet al te diepgaande interesse, en je mag blij zijn als die interesse, zover aanwezig, niet gericht blijkt te zijn op zoiets verschrikkelijks als popmuziek of op, zoals in het geval van F.B. Hotz, de zegeningen van de jazzmuziek in het algemeen en de trombone van Miff Mole in het bijzonder.“

Wie van klassieke muziek houdt, mag 'Mozart en de anderen' niet missen. Maar popliefhebbers evenmin. Want verreweg het leukste artikel uit de bundel gaat juist over die vervloekte popmuziek. Getuige zijn klacht in 'De daverdreun' moet het popgepeupel Maarten nog harder treffen dan de ouderlingen van het vrome volk vermochten in zijn jeugd: ,,Zelfs kan het gebeuren, in de zogenaamde Kaagweek te Warmond, dat vanuit het dorp, toch ruim anderhalve kilometer van mijn huis gelegen, op milde zomeravonden een woest gebonk opklinkt als van reuzen die boomstammen tegen metalen deuren smijten.'' Barbarij is het. Volgt een analyse die niet erg consistent is, maar wel uitmondt in een heerlijke conclusie: de enige enigszins te pruimen popsong is van Procol Harum en geënt op Bach.

De ene wereld is de andere niet. Zoals er een wereld van vóór Bach is, is er ook een wereld van na de jazz en weer een andere van voor en na The Beatles. En blijkbaar hebben al die werelden elk een eigen taal, met een eigen klank en ritme. Zo heeft de jazz niet alleen Hotz voortgebracht maar ook Jan Hanlo, K.Schippers en Jules Deelder, terwijl we zonder pop geen Simon Vinkenoog, Jan Donkers of Joost Zwagerman hadden gehad.

En wat zijn ze allemaal gek van hun muziek! De Amerikaanse Beat Poets uit de jaren vijftig probeerden zelfs direct de jazz in taal om te zetten, zo laat Jaap van der Bent zien in zijn bijdrage aan de essaybundel 'Pop in literatuur'. Allen Ginsbergs beroemde gedicht 'Howl' is gebaseerd op het spel van Lester Young terwijl William Burroughs' werk als één lange jazzimprovisatie ervaren kan worden.

In Nederland waren het de Vijftigers die de jazz ontdekten en kon je Simon Vinkenoog tot voor kort nog met grote regelmaat in de kelders van de jazz en de pop tegenkomen.

Muziekliefhebbers genoeg dus onder de schrijvers, maar hoe zit het met de kwaliteit. Anders dan bij de meeste boeken en verhalen over klassieke muziek of jazz, lees je over pop meestal pulp. Vaak blijven de schrijvers (al of niet bewust) hangen in een sfeer vol namen, krachttermen, stopwoorden en associaties die je óf het gevoel moeten geven erbij te horen óf juist niet. En daardoor krijgt de stem van die door louter bohémiens bevolkte tegencultuur die binnen twee decennia massacultuur werd meteen ook iets kinderachtigs.

Joost Zwagerman, in de jaren tachtig zelf tot de incrowd behorend maar gaandeweg steeds onafhankelijker in zijn toon, legt in een van zijn stukken in 'Perfect Day' de vinger op de zere plek als hij aan de hand van platenfreak Rob uit Nick Hornby's roman 'High Fidelity' (1998) beschrijft waartoe die houding kan leiden: “Zelf vinden Rob-achtigen dat ze met hun eeuwige trouw aan popmuziek verkwikkend onaangepast zijn.

Opgroeien is voor zeikerds, nietwaar? Maar in 'High Fidelity' verandert het poptitaantje Rob steeds ontluisterender in een dreinend joch van vijfendertig met kleuterproblemen voor wie een echte stap in de grotemensenwereld kennelijk te veel gevraagd is. Want dan is het duidelijk geworden wat deze zelfbenoemde popexperts ook zijn: wereldvreemd en op een zelfverterende manier onvolwassen, ongezond obsessief, neurotisch en autistisch tegelijk, en met heel hun neurose ook nog eens regelmatig pathetisch.''

Het is niet moeilijk de popneuroot in de Nederlandse letteren te herkennen. Neem Herman Brood-biograaf Bart Chabot met zijn altijd voortratelende teksten vol eikels, HOOFDLETTERS en uitroeptekens of idolenjunkie Thomas Verbogt. Ze bezorgen je direct kramp wanneer je hun te snelle of juist weer te slome gevoelsspoor moet volgen. In 'Hart van De Dijk' brengt Verbogt een net iets te kleffe ode aan de 25-jarige band van zanger Huub van der Lubbe: “De liefde. Het grote woord. Maar Huub meent het en kán het ook menen, want hij gelooft het. Ik denk aan wat Thé Lau zegt: 'Als je het gevoel hebt dat het echt is, kan het nooit fout zijn'.“

En zo wordt er buiten de sportjournalistiek nergens zoveel kritiekloos gezwijmeld als in de popliteratuur. De magie van de ster is blijkbaar zo groot dat de biograaf of journalist maar een ding wil: erbij horen ten einde deel uit te maken van of bij te mogen dragen aan de gedroomde mythe.

Toch leveren al die sagen niet alleen maar rommel op. Wie de door René van Stipriaan samengestelde bundels 'Ooggetuigen van de rock 'n roll' en 'Seks en drugs' leest, wordt ook meegesleept naar de achterkant van het grote verlangen naar sex, drugs en rock 'n roll.

Soms is dat erg vermakelijk, zoals Frank Zappa's beschrijving van twee overleefde rampen, soms betekenisvol, zoals de ontmoeting van Lou Reed met Vaclav Havel in Praag (1990) of ontluisterend, in het geval van de aan lager wal geraakte muzen van The Velvet Underground en The Rolling Stones van weleer, Nico en Marianne Faithfull.

Een mooie mix van reportage en beschouwing vind je bij Jan Donkers en P.F. Thomése. De kracht van Donkers is dat hij in zijn liefde voor 'Americana' steeds weer terug grijpt naar de wortels van de country en de blues. Zowel voor de VPRO-radio in de jaren zeventig en tachtig als in zijn voor Hitweek, Oor, De Groene Amsterdammer en NRC Handelsblad geschreven reportages plaatste hij muzikanten als Ted Hawkins en Gene Clark (van The Byrds) in een bredere politieke en maatschappelijke context. Het gevolg was dat je graag over hen las, ook al kon je hun muziek niet pruimen.

Met 'Mijn muziek' heeft Donkers een persoonlijke popencyclopedie geschreven vol korte impressies en herinneringen aan die muzikanten die er voor hem toe doen. De keus is opmerkelijk. Aan Bruce Springsteen heeft Donkers zich wel gewaagd, maar aan Bob Dylan dan weer niet, en in sommige gevallen, zoals bij Fred Eaglesmith en The Grateful Dead maakt hij zich ervan af door naar oude, elders verschenen stukken te verwijzen. Dat is jammer en doet de indruk ontstaan dat Donkers onder de tijdsdruk van de Boekenweek is bezweken.

Vergelijkbaar, maar beter geslaagd is de heruitgave 'Greatest Hits' van Thomése. Minder insider dan Chabot en Verbogt en minder kenner dan Donkers en Zwagerman, zet hij zijn hartstocht voor de Amerikaanse muziek van het Zuiden werkelijk in literatuur om.

Ontroerend is het te lezen hoe de schrijver het New Orleans van voor Katrina via de moerassen binnenrijdt en hoe hij onderweg met reisgenoot J. Kessels in Blue Moon Express allerlei vergeten plaatsjes langs de door Hank Williams bezongen 'lost highway' passeert.

Maar echt meesterlijk is de vreemde ontmoeting die Thomése en Kessels in Nederland hebben met de zieke en zwaar aan drank en drugs verslaafde zanger Townes Van Zandt. Terwijl je bij Verbogt na een vergelijkbare ontmoeting (in 'Op weg naar het paradijs') meteen bedwelmd wordt door het teveel aan pathos ('Ik loop naar het huis waar ik woon. Het regent niet meer. Het is pas begin november, maar Voor mij mag de winter van 1996 nu beginnen.') bewaart Thomése afstand. Bijna verlegen toont hij de verwardheid van gevoelens van trots (wij hebben onze held een lift en onderdak gegeven!), schaamte (hoe ziek is de man wel niet) en subtiele humor, bewaard voor de laatste zin: ,,Ik had de neiging om te zwaaien, maar dat vond J. Kessels vast geen goed idee.''

Het brengt me ten slotte bij het vrolijkste boekje tot nu toe, 'De dollartekens in de ogen van Moeder Theresa'. In deze korte roman speelt Vlaanderens popidool onder de schrijvers, Herman Brusselmans, een prachtig spel met de hoge verwachtingen en de platte werkelijkheid van het artiestendom.

Wie de jaren zestig en zeventig een beetje verteerd heeft, kan tussen de vele poep- en piesregels door volop genieten van de popambities van de jonge Herman die beginnen en eindigen in de boerenschuur van zijn ouders.

Zelfs Maarten 't Hart zou blij moeten worden van het Biesheuvel-achtige slot : “ ik stop met muziek, ik ga schrijver worden.' 'Zolang het maar geen lawaai maakt', zei m'n vader, en m'n moeder glimlachte de glimlach die ik zo goed kende, en die nooit uit m'n geest zou verdwijnen. De glimlach van een goed mens. Was er toch nog hoop op verlossing van de wereld en van de mensheid? Op die vraag heb ik maar één antwoord: Tsjoelala, tsjoelala.“

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden