Ilija Trojanow

Oost-Europese Literatuur

Oostblok-schrijvers over de motieven van verklikkers

Ilija TrojanowBeeld Michael Gottschalk

Wat doet het met een mens als hij onverhoeds ontdekt dat zijn ouders of vrienden agent voor de staatsveiligheid zijn geweest, en jarenlang hun naasten hebben bespied en verraden? De Hongaarse schrijvers András Forgách (1952) en Péter Esterházy (1950-2016) hebben het allebei meegemaakt en verwerkt in een roman, waarin ze uitdrukking gaven aan hun gevoelens van ongeloof, verdriet en verbijstering. Forgách schreef er ‘De akte van mijn moeder’ over, Esterházy ‘Verbeterde editie’.

En ook de Bulgaars-Duitse schrijver Ilija Trojanow (1965) heeft in een roman – ‘Macht en verzet’ – beklijvend geschreven over het verraad van burgers tegenover burgers ten tijde van het communisme. Natuurlijk, romans zijn geen geschiedenisboeken. Maar ze hebben een eigen kracht. Ze roepen de toenmalige sfeer van angst en achterdocht op en bovenal: ze verzinnen een taal om de afgrondelijke gevoelens te benoemen die de naakte feiten opwekken.

Het handschrift van zijn vader

Péter Esterházy had net zijn magnum opus ‘Harmonia Caelestis’ afgerond – een roman over het eeuwenoude adellijke geslacht Esterházy – toen de bom insloeg. Anno 1999 waren de staatsarchieven plots geopend en de schrijver had terloops aan een kennis gevraagd om na te gaan of hijzelf als schrijver misschien een dossier had bij de staatsveiligheid. Maar Esterházy’s bekende vond iets heel anders. “Toen ik het dossier opende, herkende ik onmiddellijk het handschrift van mijn vader”, aldus Esterházy. In ‘Harmonia Caelestis’ had hij een vertederend beeld geschilderd van zijn vader als een man uit één stuk; nu ontdekte hij dat diezelfde vader al vanaf het neerslaan van de Hongaarse opstand door de Sovjets in 1956 een verklikker was geweest. Onder de naam Csanádi had hij gerapporteerd over de ‘klassenvijandelijke elementen’ waaruit de aristocratische familie Esterházy vanuit het oogpunt van het regime bestond.

Voor de schrijver had de schok niet groter kunnen zijn. De uitdrukking ‘mijn vader’, die als een refrein terugkeerde in ‘Harmonia Caelestis’, was definitief geperverteerd. Er zat voor Esterházy niets anders op dan een nieuwe roman te schrijven – ‘Verbeterde editie’ – waarin hij zijn vorige corrigeerde op basis van de nieuwe feiten. Daarin resoneren de woorden ‘schaamte’, ‘schaduw’ en ‘tranen’ als een machteloze schreeuw van ontzetting.

Merkwaardig is dat in ‘Verbeterde editie’ stukken uit het dossier letterlijk zijn weergegeven (in rode inkt). Zo kan de lezer zich een beeld vormen van de werking van de politiestaat, die van zijn informanten niet enkel rapporten vraagt, maar die ook nog eens uitvoerig becommentarieert en evalueert. Zo wordt de geheim agent zelf ook doorgelicht. Levert hij wel genoeg informatie? Laat hij soms dingen weg?

András ForgáchBeeld Máté Péter

Doorlichten van de doorlichter

Ook Ilija Trojanow wijst in ‘Macht en verzet’ op dit aspect van het informantenbestaan. Na de val van het communisme ontdekt Trojanows held dat er altijd twee dossiers waren: een met de informatie die de agent doorgaf en een over de agent zelf. Het doorlichten van de doorlichter, de analyse van elke denkbare futiliteit, komt bij meerdere schrijvers terug. Tragisch is tegelijk dat de praktijken die het leven van zoveel mensen tot een hel hebben gemaakt, uiteindelijk (ook) zo banaal waren.

DDR-schrijver Wolfgang Hilbig (1941-2007), van een roman (‘Ik’) over een Stasi-informant, heeft hierop gewezen in een interview: “De werkelijkheid van de Stasi was veel banaler dan het beeld dat de westerse media of spionage­romans ervan gaven. De Stasi was een taaie en droge brij die zich met het opsporen, observeren en rapporteren van de grootste beuzelarijen heeft beziggehouden.”

Nog pittiger formuleert Ilija Trojanow hetzelfde: “De dienaren van de staatsveiligheid veegden alles bij elkaar wat ze onder hun bezem kregen, elk stofje, elk draadje, elk touwtje, elke haar, elk kuchje, elk gehakkel, het werd verzameld, opgenomen in een protocol, geëvalueerd, geanalyseerd en geëxtrapoleerd.”

Pogingen tot begrijpen

Wat Esterházy meemaakte, overkwam ook de Hongaarse schrijver András Forgách. Ook hij had net een vuistdikke roman over zijn familie afgerond (2007, ‘Dat is het leven’), toen een kennis hem een dossier over zijn moeder bezorgde. Net als bij Esterházy was Forgáchs verbijstering totaal: “Er zijn dingen die we pas kunnen begrijpen als we ze zelf meemaken. Zo’n gebeurtenis is dat op een dag blijkt dat je moeder een informant voor de veiligheidsdienst was.” Ook Forgách kon niet anders dan er een roman over schrijven: ‘De akte van mijn moeder’. Ook hij citeert ruim uit de dossiers en voorziet ze van commentaren. Die balanceren op de grens van ongeloof, boosheid en erkenning van de schuld van zijn moeder. Want zijn moeder heeft mensen verraden. Ze rapporteerde zelfs over haar eigen zoon-schrijver, die zich in dissidente kringen ophield.

Forgách probeert zijn ouders te begrijpen (ook zijn vader was een spion, maar het dossier van ‘Pápai’ werd nooit teruggevonden): ze waren overtuigde communisten, ze deden wat ze deden uit idealisme. In één van de mooiste zinnen uit het boek verwoordt hij dat zo: “Veel mensen zullen dit vreemde gedachten vinden. Maar de twee jonge communisten, die zich bepaalde idealen vast in het harde hoofd hadden geprent, voelden deze dingen zo, en niet anders.”

Peter EsterhazyBeeld Getty Images

Ook Esterházy begreep natuurlijk dat het hele gegeven complex was. Zoals hij in een interview zei: “Door in dienst te treden van het regime heeft mijn vader verraad gepleegd. Daar is geen excuus voor. Toch is de realiteit genuanceerder. De informant die deze berichten geschreven had, was ook de vader geweest van wie ik zoveel geleerd had en aan wie ik zoveel te danken had. Ik moest leren begrijpen dat al die tegenstrijdige elementen in dezelfde man vervlochten zaten. Hoezeer mijn vader ook in zijn agentenrol verstrikt zat, tegelijk oversteeg die rol het puur individuele. Het is immers zeer karakteristiek voor heel Oost-Europa dat de levens en de ervaringen van de mensen er letterlijk verscheurd zijn. Het probleem is dat de Oost-Europeaan zichzelf als verliezer en slachtoffer beschouwt en dat hij al te gemakkelijk vergeet dat slachtoffer en dader in één persoon kunnen huizen.”

Veel radicaler is de benadering van het verraad in de roman van Trojanow. Zijn verzetsheld – iemand die in de vroege jaren vijftig een aanslag pleegde op een standbeeld van Stalin – blijft zijn hele leven lang obsessief zoeken naar wie hem verraden heeft. Hij heeft zijn beste jaren doorgebracht in gevangenissen en kampen waar hij afschuwelijke dingen heeft meegemaakt. Verbitterd stelt Trojanows hoofdpersoon na het openbreken van het IJzeren Gordijn vast: “Ze nemen het me kwalijk dat ik het verraad niet met een toegeeflijk lachje wegwuif. Hoe moet ik oordelen over de mens in de verklikker?” En nog concreter, cynischer, bitser, klinkt het als hij fulmineert: “Verraad, hoe luidt je naam? Je adres, uit welk hout ben je gesneden?”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden