Review

Oorlog of niet, de bal bleef rollen

Andre Swijtink, In de pas. De Vrieseborch, Haarlem. 430 blz., geill. f 55,. ISBN 9060763475.

Toch heeft Swijtink er een interessante studie van weten te maken. Vooral omdat hij aan de hand van de gebeurtenissen tussen '40 en '45 veel van de psychologie van vooral de sportbestuurders heeft kunnen blootleggen. Daar heb je tot in 1992 - en gevreesd moet worden ook lang daarna nog - baat van. Het was en is nog steeds zo: de sport weet niet anders dan afwerend te reageren op de politiek en ondertussen, zich af en toe aanpassend als het niet anders kan, een eigen universum te scheppen, waarin alles om de sport draait.

'Een zekere sportfixatie was hun niet vreemd', zegt Swijtink hoogst terughoudend over de sportbondbestuurders van de jaren veertig. Hij toont aan dat die fixatie zo groot was, dat het de leidraad werd voor het doen en denken tijdens de oorlog. Ze waren niet pro-Duits, ze waren pro-sport. Er komen dan ook verdraaid weinig echt foute mensen in zijn studie voor. Sportlieden als Wals en Osendarp, fervente nationaal-socialisten, liepen er niet zoveel rond en als ze hun idealen kenbaar maakten werd daar vijandig op gereageerd. Wel pasten veel mensen zich aan voor hun sport.

Die wil tot aanpassing tekende zich al in de jaren dertig af tijdens de sportkontakten met Duitsland. Nederland liep daarin voorop, Duitsland was dichtbij en sporters uit dat land stonden hoog aangeschreven. Toen in de atletiekunie, nadat de eerste hakenkruisen langs de velden hadden gewapperd en de Hitlergroet was gebracht, werd voorgesteld, de betrekkingen met Duitsland te verbreken, reageerde voorzitter De Jager met het dreigement van schorsing van de indieners van dit voorstel: ze wilden de politiek in de sport brengen. De reactie kenmerkt de sport volledig en kondigde aan dat als de discussie toen al onmogelijk was, er geen opmerkelijke daden verwacht mochten worden als de oorlog zou uitbreken.

De bezetter zag de sport als een belangrijk politiek instrument, maar begreep ook dat je daarin niet zo makkelijk tot gelijkschakeling kunt overgaan, zoals op allerlei andere maatschappelijke terreinen wel gebeurde - overigens zonder al te groot succes. Het nationalisme is een belangrijk ingredient van de sport en dat kun je er niet ongestraft uithalen of zelfs op bevel wijzigen. Zo kreeg de sport in 1940 meteen de gelegenheid om zelf orde op zaken te stellen. En zodanig, dat toen de Duitsers in '42 werk begonnen te maken van de sportbeoefening, het terrein was afgegraasd. Dat gebeurde, onder leiding van de fameuze Karel Lotsy.

Sportbestuurder Lotsy, tevens directeur van een verzekeringsbedrijf, nam in 1940 de centralisatie van de Nederlandse sport ter hand. Of we Lotsy mogen opzadelen met de beladen kwalificatie 'fout in de oorlog', blijft ook na 'In de pas' een vraag.

Lotsy had ongetwijfeld een niet al te fraai karakter, toonde alle trekken van de opportunist, werkte af en toe nauw samen met de Duitsers, maar deed alles voor zijn hobby, de sport. Je kunt hem niet een willig verlengstuk van de bezetter noemen, al doet Swijtink dat wel. Naar de omstandigheden kronkelde hij zich naar meer macht. De karakterschets van de sportbestuurder volgens Swijtink in acht genomen, is het eigenlijk volstrekt logisch dat Lotsy na de oorlog alleen nog maar een belangrijker sportbestuurder kon worden en de zuivering moeiteloos doorstond. Of in Swijtinks woorden: "Eigenbelang en wat hij dacht dat het belang van de Nederlandse sport was, stonden voor hem centraal" .

Hij stond aan de top van wat je een kleinburgerlijk apparaat mag noemen, dat plooibaar was en hoogst geschikt om zelfs in oorlogstijd zoveel mogelijk te doen alsof er niets aan de hand was. De bezetter had daar enige baat bij. En hij vond enig gelijk aan zijn zijde. Het aantal sportbeoefenaren steeg tijdens de eerste oorlogsjaren. Het aantal bezoekers van sportwedstrijden nam explosief toe. Hier moest iets in stand gehouden worden, dat blijkbaar ook van groot belang was voor de bevolking. En dus deed de sport dat. De sport werd gebruikt en de sport gebruikte.

Swijtink beschrijft minutieus de feiten waaruit die mentaliteit blijkt. Hij haalt een groot aantal voorbeelden aan van meegaandheid. Het zwembad waar meteen het bordje 'Verboden voor Joden' werd opgehangen, de voorzitter die meteen de joodse leden berichtte dat zij uit de club waren gezet, de sportbestuurder die zich uitputte om alle Engelse termen te vervangen door Nederlandse. Het is allemaal treurig, maar ook bijna anekdotisch klein.

Dat deel van de mentaliteitsgeschiedenis heeft Andre Swijtink in 'In de pas' voortreffelijk gedocumenteerd en helder opgeschreven. Inderdaad, die paar regels van Lou de Jong waren ook weer een interessant boek op zichzelf. Alleen de contekst van wat werkelijk fout was en de oorlog en de bezetting beinvloedde, zegt dat het allemaal niet zo uitzonderlijk of zelfs echt 'fout' was wat er gebeurde. Het is allemaal een beetje mistroostig menselijk.

Swijtink haalt er in zijn studie al snel een fragment bij uit Abel Herzbergs 'Kroniek van de Jodenvervolging': "Een der verzamelplaatsen tijdens de razzia was het Olympiaplein. Het weer was mooi die dag, en op het sportveld werd mitsdien getennist. De wachtende joden hoorden de ballen tikken op de grond en de spelers roepen: ready - game - deuce. Het waren geen NSB'ers die daar speelden. Het waren geen mannen uit het verzet. Het was de meerderheid van het Nederlandse volk. Men was aan zeer veel gewend geraakt." En bij de meerderheid van het volk voelt de sport zich pas echt thuis.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden