Review

Ook zieke dokter mist warmte in de zorg

Is de gezondheidszorg wel echt zo patiëntvriendelijk als instellingen en beleidsmakers beweren? Veel patiënten vinden van niet, zij missen betrokkenheid in de zorg. Maar wat blijkt: als de dokter, verpleegkundige of zorgmanager zelf ziek worden, hebben zij dezelfde klacht.

Dokters, verpleegkundigen en managers die zelf ziek zijn, voelen zich tijdens hun behandeling vaak een nummer, of ’een geval’. Dit blijkt uit het boek ’Dokter is ziek’ dat deze week verschijnt. Net als veel ’gewone’ patiënten missen deze zieke zorgmedewerkers warmte en betrokkenheid in de zorg.

Is het mogelijk dat een ziekenhuispatiënt drie dagen lang bijna niets eet, zonder dat een medewerker dit signaleert en probeert er iets aan te doen? Verpleegkundige Marian Kooijman had nooit gedacht dat zoiets zou kunnen, totdat het haar zelf overkwam.

Als gevolg van een uit de hand gelopen pneumokokken-infectie lag Kooijman dagenlang in kritieke toestand op de intensive care. Gelukkig sloeg de behandeling aan en was ze na zes dagen goed genoeg om op een gewone afdeling verder te herstellen. Ze was nog erg slap, maar de meeste verpleegkundigen en verzorgenden realiseerden zich dit volgens haar niet. „Ze hielpen me niet met eten en drinken, terwijl ik dat zonder hulp niet kon. Een voedingsassistente zette een maaltijd bij me neer, maar ik kreeg het deksel er niet eens af. Een uurtje later haalde iemand anders het ongeopend weer weg, zonder iets te vragen.”

Kooijman schetst het verloop van de dagen die volgden: het eten werd gebracht, weer weggehaald, gebracht, weer weggehaald, enzovoort. Drie dagen lang ging het eten ongeopend weer retour. „Een keer heeft iemand me een toetje gevoerd, nadat ik daar zelf om had gevraagd. Verder heb ik niet om hulp gevraagd. Ik begrijp dat dit vreemd klinkt, maar ik denk dat ik, door alles wat er gebeurd was, nog te apathisch was.”

„Iedereen wist, of hoorde te weten, dat ik mijn armen en benen niet kon bewegen”, vervolgt de verpleegkundige. „De diëtiste, die op de derde dag langskwam, was de eerste die vroeg wat er aan de hand was. De andere hulpverleners gingen steeds gewoon weer weg, ik was niet meer dan een nummer.”

De voedingsdeskundige besloot de patiënte te wegen en vroeg hoe het met haar ging. „Ik woog slechts 45 kilo. Ik was helemaal overstuur, er was eindelijk iemand die hielp.”

Vervolgens besprak de diëtiste haar ervaringen met de hulpverleners op deze afdeling. Zij adviseerde hen deze patiënte bij het eten meer te helpen. Kooijman: „Ik ben nog steeds verbaasd dat zo’n gesprek nodig was. Waarom zagen ze zelf niet dat ik niets kon? Van het hele team beseften maar drie verpleegkundigen hoe afhankelijk ik was.”

Marian Kooijman is een van de negen geïnterviewden in ’Dokter is ziek’. In dit boek vertellen verpleegkundigen, artsen en managers over hun ervaringen als patiënt. Zij geven antwoord op vragen die dagelijks in de zorg spelen: is de gezondheidszorg wel echt zo patiëntvriendelijk als instellingen en beleidsmakers beweren? En kunnen patiënten wel mondig en kritisch zijn, zoals de overheid graag wil?

Het voorbeeld van de ongeopende maaltijden geeft volgens Kooijman aan dat die patiëntgerichte zorg nog ver weg is. Net als Kooijman hebben ook anesthesist Bart van Boheemen en manager Anna Zwanenburg zich erover verbaasd dat ze tijdens hun ziekenhuisverblijf zelf actie moesten ondernemen om ervoor te zorgen dat ze een maaltijd binnenkregen. Van Boheemen, die bestraald werd wegens een kwaadaardig gezwel onder zijn tong, kreeg van een voedingsassistente een bord met aardappels, vlees en groenten, terwijl hij wegens die bestraling geen vast voedsel mocht eten. Gelukkig kon zijn vrouw naar de keuken gaan, om te vragen of ze het konden pureren.

Anna Zwanenburg is manager bij de V & VN, de beroepsvereniging voor verpleegkundigen en verzorgenden, nadat zij eerst jarenlang als verpleegkundige in de thuiszorg had gewerkt. In die tijd werd ze plotseling vanwege een zwangerschapsvergiftiging opgenomen. Twee maanden lang moest ze plat blijven liggen op haar rug. Toch zette een voedingsassistente het dienblad meermalen zo bij haar neer dat ze er niet bij kon. „Ze zei: ’Nou mevrouw, het lukt wel hè?’ Maar het lukte niet, ik lag op mijn rug! Maar ik wilde er ook niet voor bellen.”

Zwanenburg is voor verschillende klachten in ziekenhuizen behandeld. Het viel haar vaak op dat hulpverleners een situatie niet goed inschatten. Toen ze net geopereerd was aan haar knie, moest ze nodig naar de wc, maar haar krukken waren niet binnen handbereik. Ze kon zelfs niet bij de bel. „Dus ben ik maar gaan roepen: HEEHEE, HOEHOE. Ik werd boos, want ik moest heel nodig. Toen er eindelijk een verpleegkundige kwam, zei ze ’daar staan toch je krukken?’ Ik moest haar uitleggen dat ik daar niet bij kon.”

Ook merkte de ’patiënte Zwanenburg’ dat hulpverleners vaak te snel tot conclusies komen. Ze denken te gauw dat ze weten hoe het zit, zonder stil te staan bij de gevoelens van een patiënt die afhankelijk is, of angstig, of beroerd.

Ze vertelt over een situatie die grote indruk op haar heeft gemaakt. Op een dag zag ze, vlak naast haar bed, een luchtbel in het infuussysteem. „Ik weet dat kleine belletjes niet zo erg zijn, maar ik maakte me toch snel ongerust. Een luchtbel in je aderen kan gevaarlijk zijn, levensbedreigend zelfs. Dus belde ik een verpleegkundige. Zij kwam en zei onmiddellijk dat er niets aan de hand was en ging weer weg. Ze had totaal geen aandacht voor mijn bezorgdheid.”

Bij Zwanenburg werkte deze geruststelling averechts. Ze werd boos omdat ze zich niet serieus genomen voelde en angstig omdat ze die luchtbel alsmaar bleef zien. „Ik werd helemaal door die luchtbel geobsedeerd. Ik bleef maar kijken. Straks krijg ik luchtembolie, dacht ik, en ga ik dood.”

Een luchtembolie is een verstopping van een bloedvat die levensgevaarlijk kan zijn. Zwanenburg werd alleen maar angstiger. „Uiteindelijk belde ik weer, inmiddels was ik heel opstandig geworden. Ik eiste een ander infuus, dat was voor mij de enige oplossing geworden. Sindsdien heb ik meer begrip voor patiënten die obstinaat zijn.”

Al met al vonden de zieke artsen, verpleegkundigen en managers dat het in de zorg vaak aan warmte en betrokkenheid ontbreekt. Volgens ziekenhuisdirecteur en voormalig inspecteur-generaal voor de gezondheidszorg Herre Kingma, die wegens darmkanker in een ziekenhuis was opgenomen, ben je als patiënt ’niet het onderwerp, maar het lijdend voorwerp’. „Ik besef nu hoe belangrijk het is dat verpleegsters zich persoonlijk met je bemoeien. Dat is bijna onmogelijk, omdat ze allemaal parttime werken. Als je een week in het ziekenhuis ligt, zie je er minstens twintig aan je voorbij trekken.”

Maar positieve verhalen zijn er natuurlijk ook. In alle gesprekken vallen namen van verpleegkundigen en verzorgenden die liefdevol, begrijpend, attent en zorgzaam zijn. Zo voelde verpleegkundige Rietje Wesenbeek zich door het personeel gesteund toen ze net een zware operatie achter de rug had.

Haar gezicht vertrekt als ze vertelt hoe pijnlijk het was om voor het eerst weer te (moeten) bewegen. Wat was ze blij toen ze haar eerste stapjes weer kon zetten, als een dreumes die leert lopen. „Een verpleegkundige gaf me complimenten, dat deed me zo ontzettend goed. Ik besef nu meer dan eerst hoe belangrijk het is dat hulpverleners positief op je reageren.”

De verpleegkundige heeft ook veel gehad aan de verpleegkundigen op de dagbehandeling oncologie, waar ze voor een chemokuur vaak heen moest. De eerste keer dat ze daar kwam, voelde ze zich verloren, maar de verpleegkundigen hielpen haar daar snel doorheen. Ze gaven goede voorlichting en stelden haar op haar gemak. Bij elk bezoek voelde Wesenbeek zich een gast. „De verpleegkundigen straalden uit dat ze mij verwachtten. Een keer zei een van hen ’ik heb uw stoel vrijgehouden, wilt u daar weer zitten?’ Op die stoel had ik meermalen gezeten, maar het was zeker niet mijn stoel. De andere stoelen zien er precies hetzelfde uit. Ik vond het attent dat zij op deze manier probeerde de zorg persoonlijk te maken.”

Al deze voorbeelden gaan vooral over verpleegkundigen en verzorgenden, minder over artsen. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat een gezond mens er nauwelijks bij stilstaat hoe belangrijk juist die dagelijkse verzorging is. Een tweede verklaring kan zijn dat sommige van de geïnterviewde artsen, verpleegkundigen en managers zelf hun arts hebben gekozen. Daardoor hadden zij een dokter die zij vertrouwden, of zelfs al goed kenden. Hierdoor was het vanzelfsprekend dat de verhouding met deze arts goed was.

Toch zijn er ook kritische geluiden. Vooral de verbale en non-verbale communicatie van dokters moet beter, zo blijkt uit de gesprekken. Dit geldt zeker niét voor de gynaecoloog van verpleegkundige Rietje Wesenbeek, die volgens haar ’een kei’ is. „Het klikte meteen. Deze man is zó bijzonder. Hij is eerlijk en zorgzaam én een kundig en bekwaam specialist.”

Deze gynaecoloog verwijderde een tumor achter haar baarmoeder. In een gesprek voorafgaand aan deze ingreep tekende hij op een vel papier wat hij precies ging doen. Hij beantwoordde haar vragen en vroeg uit zichzelf of ze bang was.

Vervolgens prees hij haar vakkennis en mondigheid, vertelt Wesenbeek. Hij waardeerde het dat ze alles wilde weten. „Hij zei ook dat hij veel leert van mij, omdat ik mijn wensen kenbaar maak. Welke arts zegt zoiets hardop?” De gynaecoloog kwam zelfs een keer in zijn vrijetijdskloffie bij haar langs.

Wesenbeek weet dat zij niet de enige is voor wie de gynaecoloog zich zo inspant. Zijn spreekuur loopt altijd uit. De verpleegkundige vermoedt dat veel patiënten dit niet erg vinden, omdat de lange wachttijd wordt beloond. Tegen de tijd dat je aan de beurt bent, weet je immers dat hij ook voor jou alle aandacht en tijd heeft, veronderstelt ze. Tegelijkertijd waarschuwt ze er wel voor dat zulke hulpverleners moeten uitkijken dat het hen niet te veel wordt. „Ze moeten die tijd ergens vandaan halen, dus ze gaan tijdens de lunch en ’s avonds door.”

Wel vindt Wesenbeek dat patiënten ook zelf moeite moeten doen voor een goed contact met hun dokter. Als zij een arts voor het eerst ontmoet, legt ze bijvoorbeeld uit dat ze graag veel vragen stelt, omdat ze alles beter kan accepteren als ze begrijpt wat er aan de hand is. Ze heeft de indruk dat artsen hierdoor vriendelijker worden en durft een voorzichtige conclusie te trekken. „Mondige patiënten kunnen hun eigen behoeften goed aangeven en onderbouwen. Zulke patiënten hebben een voorsprong in de zorg.”

Vijf van de negen geïnterviewden werken weer geheel of gedeeltelijk in de zorg, zij het niet altijd in dezelfde functie of op dezelfde plek. Zo is Marian Kooijman nu inkoopcoördinator in een ziekenhuis. Rietje Wesenbeek en Bart van Boheemen wisten ten tijde van de interviews dat zij niet meer zouden genezen. Beiden zijn in 2009 overleden.

Dit is een bewerkte versie van Het boek Dokter is ziek dat op 30 maart gepresenteerd wordt. Inspecteur-generaal voor de gezondheidszorg, Gerrit van der Wal, overhandigt het aan John Dawson, gynaecoloog van het Amsterdamse Lucas ziekenhuis. Dawson is de gynaecoloog waarover verpleegkundige Rietje Wesenbeek in het boek vertelt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden