Review

Ook Hugo Brandt Corstius deed een mislukte gooi naar Fritzi's liefde

In het vervallen Gooise buitenhuis Jagtlust kwam in de jaren vijftig de hele avant-garde van de kunstwereld over de vloer. Schrijvers en kunstenaars als Remco Campert, Cees Nooteboom, Gerard Reve, Jan Vrijman en Johan van der Keuken zochten elkaar op in deze immense bouwval in het groen. Zij kwamen niet alleen vanwege de sfeer van decadente romantiek en de legendarische met drank overgoten feesten, maar vooral om in de buurt te zijn van de betoverende vrouw die Jagtlust bewoonde: Fritzi ten Harmsen van der Beek.

Het boek 'Jagtlust', van Annejet van der Zijl, is zowel een kleine geschiedenis van een huis en de groep kunstenaars die daar onderdak vond, als een beknopte biografie van Fritzi ten Harmsen van der Beek. Fritzi was na de dood van haar rijke, artistieke ouders - haar vader was de bedenker en tekenaar van 'Flipje' - en het pijlsnel verbrassen van de erfenis op het verlaten landgoed Jagtlust gestuit. In 1957 had zij daar, in de enorme vervallen kamers met uitzicht op de eeuwenoude beuken, samen met haar broer Hein - een goedgebekte playboy - domicilie gevonden, in afwachting van de dreigende sloop of verkoop van het pand.

Fritzi was al op jonge leeftijd als bohémienne gaan leven. Hoogst begaafd en maatschappelijk onaangepast, uiterlijk onbezorgd, maar innerlijk chaotisch, oefende zij een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op zowel rijkeluistypes uit het Gooi als kunstenaars uit Amsterdam. In de lange rij van mannelijke aanbidders was Remco Campert de eerste die de titel 'heer van Jagtlust' verdiende. De jonge dichter had Fritzi ontmoet op het boekenbal, 'als een onbrandbaar moment / eeuwig als bevroren film', en was als een blok voor haar gevallen.

In de tijd dat deze twee 'koningskinderen' samen op Jagtlust woonden, tikte Campert op losse velletjes een hoogst vermakelijk huiskrantje: 'Jagtlustkoerier, onder redactie van Wouter Kampert'.

In dit krantje viel mooi te lezen wat zich allemaal in het landhuis afspeelde. Campert schreef hoe de gefortuneerde aanbidders voor Fritzi gewend waren hun patserige auto's door de openslaande deuren naar binnen te rijden, hoe 'de beroemde auteur Kees Nooteboom door mevrouw F. t. H. v. d. B. persoonlijk de deur werd uitgezet' en drankhandelaren, bij wie de schulden torenhoog opliepen, met een kluitje in het riet werden gestuurd. Alles stond in dienst van het vrije, onbezorgde bestaan. Campert: “Je stampte met je voet en het was feest.”

Toch werd dit dronken en armoedige leven Campert - ondanks zijn voortdurende liefde voor Fritzi ten Harmsen van der Beek, met wie hij zelfs trouwde - uiteindelijk te veel. Hij vertrok. Nieuwe 'Heren van Jagtlust' dienden zich aan, de tekenaar Peter Vos en ook Hugo Brandt Corstius deed een, hopeloos mislukte, gooi naar Fritzi's liefde.

Intussen gingen de feesten gewoon door. Gerard van het Reve, een frequent bezoeker van Jagtlust, deed daar in zijn brievenboek 'Op weg naar het einde' smakelijk verslag van. In een feest in 'afschuwlijke duisternis', vertelde hij, kreeg hij een 'paar opdonders' omdat hij “een bekakte naamloze Nijenrodeboes (. . .) of zijn meisje, niet, of wellicht te langdurig, bij roede, vagijn, tiet of bil had gegrepen. (. . .) Na welk feest (ik sliep op de zolder, roze lakens) er van 144 stuks gehuurd glaswerk slechts één sherryglas, op een bibelot of etagèretje staand, de volgende ochtend nog over was, welk glas nog gebarsten bleek te zijn; de vloer een stukgereden schaatsbaan gelijk, bedekt met niet slechts versplinterd, maar ook, in kleine zandverstuivingen opgehoopt, verpoederd glas.”

De aanblik van al het verpulverd glas en de constante geur van kattenstront, natte was en peuken konden niet verhullen dat Fritzi onaangepast was, maar betekenden allerminst dat zij niets kón. Integendeel. “Naar haar luisteren is onvergetelijk”, schreef Cees Nooteboom, “de stem hees, betogend en betoverend, de luisteraar inspinnend in een eindeloos doolhof van bijzinnen.” In Fritzi ten Harmsen van der Beek school een volstrekt authentieke, exuberante en verrassende dichteres.

Vanaf het moment dat Remco Campert ervoor had gezorgd dat er enkele van haar gedichten in Tirade verschenen, streden alle uitgevers om haar werk. Geert van Oorschot parkeerde zijn Mercedes voor de deur en kuste de verzen die uit de kast kwamen dwarrelen. Geert Lubberhuizen en Theo Sontrop, die jarenlang een deel van Jagtlust van Fritzi ten Harmsen van der Beek zou huren, probeerden uit alle macht de poëzie uit haar handen te trekken. Toch verscheen pas in 1965, Fritzi was toen 38, haar debuut bij De Bezige Bij.

Hoe hard de critici ook juichten, en hoe haar bewonderaars ook bleven toestromen, Fritzi's status kon niet voorkomen dat de werkelijkheid haar illusies achterhaalde. In 1971 werd Jagtlust verkocht en moest Fritzi vertrekken. De kunstenaars die straatarm en met hoofd vol opstandige ideeën op het landgoed waren samengekomen, vertegenwoordigden inmiddels de gevestigde orde. Maar Fritzi, met haar aversie van publieke aandacht en angst voor publiceren, bleef na een relatief productieve periode in de late jaren zestig zwijgen. Een rijke oom en een handvol bekenden kochten voor haar een huisje in een Gronings dorpje, waar zij naar verluidt nog steeds woont.

Het vertrek van Fritzi ten Harmsen van der Beek uit Jagtlust betekende het einde van een tijdperk, waarin een 'zondagsgeneratie' (de kwalificatie is van Henk Hofland) de eerste stappen zette. Annejet van Zijl heeft die stappen op het gazon, het balkon en het krakende parket in de kamers nagelopen. Haar verhaal van de verloren tijd in Jagtlust is, hoewel zonder een spoor van letterkundige pretentie geschreven, een plezier om te lezen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden