Jubileum

Ooit een clubje fanatieke puristen, nu dé vraagbaak voor het Nederlands

null Beeld HH
Beeld HH

Rauwkost, lustmoord en kogellager stonden ooit als verboden germanismen op de zwarte lijst van het Genootschap Onze Taal. Deze maand vieren de taalliefhebbers hun 90-jarig jubileum. Ze zijn allang niet meer zo streng. “We leggen nu de taalregels uit, maar we houden de deur open om ervan af te wijken.”

Is het een weids of een wijds gebaar? Zeg je teruggebracht tot of teruggebracht naar? Kun je beter schrijven dat een prijs tot op de dag van vandaag is of wordt uitgereikt? En shampoo die het haar voedt, zoals in een reclame, kán dat eigenlijk wel?

Zomaar een greep uit de vragen die Rutger Kiezebrink (48) op een willekeurige dag aan de telefoon krijgt voorgelegd. Kiezebrink werkt bij de Taaladviesdienst van het Genootschap Onze Taal, al 23 jaar. Tegen lokaal tarief kan iedereen hem en zijn collega’s bellen: 085-0028428. Mailen, whatsappen of twitteren mag ook.

De meeste mensen, drie op de vier, bellen over hun werk. “Vaak zijn het zzp’ers die geen collega’s hebben om mee te overleggen”, zegt Kiezebrink. “Ze zoeken een klankbord. Door de coronatoestand en het vele thuiswerken benaderen mensen ons vaker.” Maar lang niet alles is werkgerelateerd. “Laatst belde er iemand die met een kerkblaadje bezig was. Een andere beller was vastgelopen met een formulering in een pubquiz.”

Niet meer zo streng

Onze Taal is opgericht op 16 mei 1931, negentig jaar geleden. De jubilerende vereniging is vooral bekend van het populaire tijdschrift Onze Taal, maar geeft ook al decennialang taaladviezen. In het begin gebeurde dat vanuit een autoritaire schoolmeestermentaliteit: dit was goed, dat was fout, heel categorisch. Zo streng gaat het er in dit jubileumjaar allang niet meer aan toe. Kiezebrink: “We leggen nu de taalregels uit, maar we houden de deur open om ervan af te wijken.”

Neem een rariteit als or, de afkorting van ondernemingsraad. Deze afkorting moet officieel met kleine letters omdat ook het hele woord alleen kleine letters bevat. Maar dat is geen gezicht, vinden veel mensen. “Wij zeggen daarom: als u het duidelijker vindt met hoofdletters, prima. Alleen in overheidsteksten is de officiële spelling verplicht.”

Dit soort inschikkelijkheid was in de jaren dertig ver te zoeken. De oprichters van Onze Taal waren mannen met een missie. Taalfanaten – journalisten, politici en handelslieden – die zich zorgen maakten over de verloedering van het Nederlands. Hun belangrijkste doel: de taal zuiveren van Duitse smetten.

“Hun zorg valt goed te begrijpen”, vergoelijkt Jaap de Jong (60), die 28 jaar redacteur van Onze Taal was en nu werkt als hoogleraar journalistiek en nieuwe media. “In kranten en op de radio doken destijds allerlei aan het Duits ontleende termen op. De Duitse cultuur en wetenschap waren vooraanstaand. Bovendien werkten hier veel Duitse dienstmeisjes. Zij beïnvloedden het taalgebruik van Nederlandse kinderen.”

Een hekel aan alles wat Duits was

Het puristische Genootschap kwam hiertegen in het geweer. Bestuursleden stelden aanvankelijk elk jaar een zwarte lijst samen met te vermijden germanismen. Aanhangwagen, afslachten en ansicht waren de eerste woorden die sneuvelden. De voorgeschreven alternatieven waren bijwagen, slachten (of ombrengen) en prentbriefkaart. Ook genadeloos verbannen: beëindigen, gewetensvol, ingreep, rauwkost, lustmoord, kogellager en stekker.

Negentig jaar na dato heeft zo’n lijstje iets lachwekkends. “Deze woorden zijn nu volkomen ingeburgerd”, zegt De Jong. “Op de zwarte lijsten stonden ook wel termen die verdwenen zijn, zoals daadzaak, techniker en aanstrengen. Maar je kunt je afvragen hoe succesvol de strijd tegen de germanismen was. De inval van Hitler hielp beter. Daardoor kregen Nederlanders op slag een hekel aan alles wat Duits was.”

Het gevecht tegen de buurtaal was allesbehalve deskundig onderbouwd. De oprichters van Onze Taal waren amateurs: leken die hun gevoel volgden. Zij beseften niet, zoals taalkundigen, dat talen nu eenmaal veranderen. Dat er onvermijdelijk leenwoorden in doorsijpelen. De Jong: “In Cicero’s tijd klaagden de Romeinen al over de vele Griekse barbarismen in hun taal. En in mijn tijd als redacteur mopperden veel brievenschrijvers over Engelse termen. Genootschap, doe er iets aan, smeekten ze. Richt een taalschavot op!”

Maar dat deed het genootschap niet. Want in de jaren vijftig, onder taalkundige Jan Veering, was Onze Taal een wetenschappelijker richting ingeslagen. De toon werd milder, de taaladviezen werden in overeenstemming gebracht met de academische kennis. De leenwoordobsessie zwakte daardoor af, al bleef het tijdschrift nog geregeld pleidooien afdrukken voor ‘oer-Hollandse’ alternatieven: geen badminton maar pluimbal (1957), geen privacy maar persoonsvrede (1962) en geen public relations maar faamzorg (1986). “Ruimte om te klagen over leenwoorden is er altijd gebleven”, zegt De Jong. “We leggen er nu alleen bij uit dat onze invloed beperkt is en dat je de taal niet volledig kunt conserveren. En dat funshoppen met de kids echt een heel andere gevoelswaarde heeft dan winkelen met de kinderen.”

Het Genootschap Onze Taal en het tijdschrift

De belangrijkste bezigheid van het Genootschap Onze Taal is het uitbrengen van het tijdschrift Onze Taal. Dit populair-wetenschappelijke blad belicht tien keer per jaar allerlei actuele taalkwesties. Het gaat bijvoorbeeld over videobelclichés (‘Zien jullie mij?’) of genderneutrale taal. Of over de vraag hoe je het beste excuses maakt – heel nuttig in een tijd waarin iedereen, van rappers tot het koninklijk paar, geregeld door het stof moet.

In het blad staan artikelen over alle aspecten van taal. Grammatica, nieuwe woorden, etymologie en spelling komen uiteraard aan bod, maar ook kwesties als jongerentaal, reclametaal en lied- of computerteksten. Verder is er aandacht voor verschuivende taalnormen, zoals het oprukkende Dit is waarom in koppen op internet, een navolging van het Engelse This is why. In de rubriek Open Podium spuwen lezers hun gal over constructies als zich beseffen en stoplappen als We zien dat en Als we kijken naar.

De verhalen zijn leuk om te lezen en zowel toegankelijk als deskundig geschreven. Dat heeft alles te maken met de oorsprong van Onze Taal. Het Genootschap begon in 1931 als een vereniging van amateurs die de taal een warm hart toedroegen. Vanaf de jaren vijftig namen experts het roer over, maar zij verloren nooit het oorspronkelijke publiek van liefhebbers uit het oog. In het buitenland wordt met jaloezie naar Onze Taal gekeken; zo’n laagdrempelig taalblad bestaat nergens anders.

Het Genootschap geeft verder voorlichting over het Nederlands door middel van congressen, elektronische nieuwsbrieven, boeken en een website. Ook is er de Taaladviesdienst (zie hiernaast), die vragen over de Nederlandse taal beantwoordt. Deze gratis dienst – website en persoonlijk taaladvies – wordt vrijwel helemaal bekostigd door de 22.000 lid-abonnees en donateurs. De vereniging draait zonder structurele subsidie en is daar best trots op.

Het taaladvies is gaandeweg sterk geprofessionaliseerd. Aanvankelijk deed de hoofdredacteur het er in zijn vrije tijd naast. In 1963 beantwoordde hij nog 534 brieven met vragen. Maar het karwei kreeg zo’n omvang dat er in 1985 een Taaladviesdienst nodig was. Daar werken inmiddels vier adviseurs die samen tienduizend vragen per jaar beantwoorden. De experts halen elke concept-troonrede door de molen. Hun online adviezen op onzetaal.nl en spellingsite.nu werden vorig jaar ruim 17 miljoen keer geraadpleegd – een flinke stijging, ook weer met dank aan corona.

De kwestie hun/hen was online het populairst, gevolgd door beide/beiden. Die twee problemen scoorden dertig jaar geleden ook al hoog, weet De Jong. In 1991 publiceerde hij samen met Peter Burger het boek Onze Taal, zestig jaar strijd en liefde voor het Nederlands. Ze beschreven een top 20 van prangende taalkwesties en die blijkt voor een groot deel nog akelig actueel.

Taaladviseur Kiezebrink merkt het iedere week aan de telefoon. “Driekwart van de kwesties uit 1991 speelt nu nog steeds. Mensen twijfelen bijvoorbeeld al heel lang over de tussen-s: geluid(s)hinder, vervoer(s)kaart. Het mag vaak allebei. Afkortingen blijven ook lastig. Vroeger ging het vooral over wel of geen puntjes, nu over hoofd- of kleine letters. U heeft of u hebt, nóg zo’n echte klassieker. Mag ook allebei.”

Anderhalvemetersamenleving

Een van de heikelste punten blijft aaneenschrijven. Is het erbovenop, er boven op, er bovenop of erboven op? Antwoord: alles moet aan elkaar. “Als ik zo’n vraag krijg, komt het er in negen van de tien gevallen op neer dat het aaneen moet”, aldus Kiezebrink. “Mensen gaan twijfelen omdat je erg lange woorden krijgt. Anderhalvemetersamenleving heeft bijna de lengte waar het naar verwijst. Wat ook vragen oproept, zijn samengestelde woorden met Engels erin, zoals leaseovereenkomst en outplacementbureau.”

Gelukkig zijn er ook kwesties die stilletjes uit beeld verdwijnen. Neem titulatuur in brieven: welke aanhef gebruik je voor een doctorandus, een ingenieur of een burgemeester? Dure termen als weledelgeleerde, weledelgestrenge en edelgrootachtbare wekken tegenwoordig vooral gegniffel op. Vrijwel niemand stelt er nog vragen over. “We krijgen wel steeds vaker de vraag welke aanhef je dán moet gebruiken”, zegt Kiezebrink. “Geachte heer Jansen, Geachte meneer Jansen, Geachte Jan Jansen, Geachte meneer Jansen / Beste Jan? De communicatie wordt informeler. Dat roept weer nieuwe vragen op.”

Niet alleen de titulatuur, ook het afbreken van woorden is geruisloos uit de aandacht van het publiek verdwenen. De computer doet het anno 2021 voor ons, en anders dan dertig jaar geleden geven woordenboeken nu standaard de verdeling in lettergrepen aan. Tot slot vraagt ook niemand meer naar voorkeurspelling, zoals locatie naast lokatie en product naast produkt. Daar zijn we van verlost, dankzij standaardisatie en spellingcheckers.

Nieuwe problemen

Maar niet te vroeg gejuicht: er komen altijd weer nieuwe problemen bij. Zo hebben mensen nu meer moeite met accenttekens dan vroeger. Sinds de jaren negentig geef je extra nadruk alleen nog weer met een accent aigu: néé, wél. Maar veel taalgebruikers zijn geneigd om wèl te schrijven, naar analogie van carrière en première. Twee systemen naast elkaar, voor nadruk en voor klank, dat is vragen om moeilijkheden.

En zo is er meer opkomend leed. “We krijgen steeds vaker vragen van mensen die Nederlands als tweede taal leren”, signaleert Kiezebrink. “Dat gaat over er, woordvolgorde en twijfel tussen niet en geen. Ook genderneutraal en inclusief taalgebruik roept nieuwe vragen op. Verder groeit de aandacht voor duidelijke, begrijpelijke taal. Dat is een trend bij de overheid waar we al veel over hebben geschreven.”

De Taaladviesdienst kan kortom nog even vooruit als belangrijke vraagbaak voor het Nederlands. Ook De Jong heeft daar alle vertrouwen in. “De taal zal waarschijnlijk alleen maar sneller veranderen door de komst van nieuwe media met verschillende kwaliteiten en conventies. Toenemende variatie betekent grotere taalonzekerheid. Dus over tien jaar, als het genootschap zijn eeuwfeest viert, is deskundig taaladvies nog harder nodig dan nu.”

Nelleke Noordervliet, bestuurslid Onze Taal, schrijfster en columniste

Nelleke Noordervliet Beeld Werry Crone
Nelleke NoordervlietBeeld Werry Crone

De irritantste taalfout: “Taalfouten vallen me altijd op, al ben ik zelf zeker geen foutloze taalgebruiker. Ik erger me aan contaminaties als ik besef me.”

Een taalfout die ik zelf nog wel eens maak: “Aan elkaar of los schrijven.”

Mijn favoriete woord: “Dat is uiteraard het vergeetwoord dat ik heb geadopteerd. Ik ben niet voor niets de beschermvrouwe van het genootschap van geadopteerde vergeetwoorden (de Taalstaat). Het woord luidt: deemster (schemerig, halfduister, red.)”

Frits van Oostrom, secretaris van Onze Taal en specialist middeleeuwse letterkunde

Frits van Oostrom Beeld Bob Bronshoff
Frits van OostromBeeld Bob Bronshoff

De irritantste taalfout: “Jegens fouten ben ik lankmoedig, maar ik kan slecht tegen misbruik. Wat mij stoort: u mag voor u moet, en aangeven voor zeggen.”

Een taalfout die ik zelf nog wel eens maak: “Bij mij komt de punt al te vaak pas na het haakje sluiten. In mijn boek Nobel streven is dat eindeloos gecorrigeerd: (Zo kwam Jan Splinter door de winter.) Of doe ik het nu weer verkeerd?”

Mijn favoriete woord: vriendenprijs.

Frits Spits, presentator van het radioprogramma de Taalstaat

Nederland, Blaricum, 14 oktober 2019. Frits Spits, radioman, Taalstaat. Foto: Werry Crone Beeld Werry Crone
Nederland, Blaricum, 14 oktober 2019. Frits Spits, radioman, Taalstaat. Foto: Werry CroneBeeld Werry Crone

De irritantste taalfout: “Ik erger me nooit aan fouten. Ik verbeter ze in stilte.”

Een taalfout die ik zelf nog wel eens maak: “Ik merk dat ik op het toetsenbord veel verschrijvingen maak. Eigenlijk moet ik nu veel meer herstellen dan vroeger toen ik vooral schreef. Veel fouten maak ik niet. Moeilijke woorden zijn er talloze. Exquise vind ik altijd lastig of van die begrippen die met de nieuwe digitale technieken te maken hebben.”

Het mooiste woord dat ik ken: weemoed.

Arno Brok, voorzitter Onze Taal en commissaris van de Koning in de provincie Friesland

De irritantste taalfout: “Contaminaties, zoals nachecken.”

Een taalfout die ik zelf nog wel eens maak: “Ik maak me wel eens schuldig aan een frisisme, uit het Fries overgenomen taal, zoals ik ga op bed.”

Mijn favoriete woord: desalniettemin.

Gaston Dorren, taaljournalist en winnaar van de Taalboekenprijs 2019

De irritantste taalfout: “Het Groene Boekje. Nodeloos ingewikkeld en aartsconservatief.”

Een taalfout die ik zelf nog wel eens maak: “Ik heb pas als volwassene geleerd om aardig op zijn Hollands uit te spreken als aardug. Gevolg: ik zeg nu soms niet zich, maar zuch.”

Mijn favoriete woord: “Taal. Om wat het betekent, omdat het zo herkenbaar Nederlands is en om zijn licht magische verwantschap met getal, tellen en vertellen.”

Lees ook:

Nicoline van der Sijs: Taalverloedering? Welnee: verrijking!

Het Nederlands verloedert niet, verzekert Nicoline van der Sijs in haar boek ‘15 eeuwen Nederlandse taal’. “‘De meisje die’ past naadloos binnen de historische ontwikkeling van onze taal.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden